DR. B. F. MM'THES

MAKASSAARSCH-HOLLANDSOH

WOORDENBOEK

1

MAISONNEUVE ET

J5 , quai Toliaire, a Paris.

A LA TOUR DE BABEL

( dne. maisim Tn. Barrois)

Librairie oriëntale et eurupéenne SS. Péres grecs ct latins, Conclles Liturgie. Li\res sur l'Amfirique et les Beaux-Arts,

Livres h figures, etc., etc,

CHMtaf brca Cim'irt’tmm

33

H

Digitized by the Internet Archive in 2018 with funding from Wellcome Library

https://archive.org/details/b30095967

\

J

t

•«

/

MAKASSAARSCH-HftLLANDSCH

W O OEDENB O E K,

MET

HOLLANDSCH-MAKASSAARSCHE WOORDENLIJST,

OPGAVE VAN

MAKASSAARSCHE PLANTENNAMEN,

VEEKLAEIN G

VAN EEN TOT OPHELDERING BIJGEVOEGDEN

ETHNOGR APHISCHEN ATLAS,

DOOR

D*. B. F. MATTHES ?

AFGEVAARDIGDE VAN HET NEDERLANDSCH BIJBELGENOOTSCHAP OP CELEBES.

UITGEGEVEN VOOR REKENING VAN

HET NEDERLANDSCH BIJBELGENOOTSCHAP, TE AMSTERDAM, BIJ FREDERIK MULLER.

GEDRUKT BIJ C. A. SPIN ZOON.

1859.

Wellcome Library for the IT-stsry and U ndê ... . tmiiding

of Medicine

Qms*&

^ 4 4c. o (

VOOR]] E R I G T.

Eindelijk mag het mij dan gelukken , om het reeds in 1854 van Makassar naar Holland ver¬ zonden Woordenboek door den druk algemeen te maken . Van weinig belang zou het mijns inziens zijn, om hier de redenen op te sommen, die de uitgave van mijn werk zoozeer vertraagd hebben. Liever deel ik beknoptelijk het een en ander mede, dat tot juiste beoordeeling van mijn arbeid strek¬ ken kan, te meer dewijl hieruit tegelijkertijd blijken zal, hoedanig gebruik men daarvan te maken hebbe.

Gelijk ik reeds in het voorberigt voor mijne Makassaarsche Spraakkunst te kennen gaf, heb ik niet alleen bij de bearbeiding van dat iverk,maar ook bij die van mijne Chrestomathieën inzon¬ derheid bij die van het Woordenboek, dat thans aan het publiek wordt aangeboden, steeds op het oog gehouden, dat de beoefening van het Makassaarsch een arbeidsveld teas , nog nooit te voren door iemand ontgonnen, zoodat men in de eerste jaren de kennis dier taal enkel en alleen uit mijne schriften zou te putten hebben.

Ik hield het daarom in de eerste plaats voor noodzakelijk, om niet enkel bij ieder woord de oorspronkelijke beteekenis voorop te plaatsen, maar ook steeds zooveel mogelijk duidelijk aan te toonen, hoe de andere beteekenissen daaruit afgeleid waren.

Ook achtte ik het verder van groot belang om een menigte van voorbeelden, zoowel uit de taal van het dagélijksch leven, als uit Handschriften ontleend, tot opheldering bij te brengen. Daarbij koos ik dikwerf zoodanige voorbeelden, als den beoefenaar der Makassaarsche taal, vooral in den beginne, moeijelijk te verklaren zouden zijn. Wenschelijk ivare het zeker geweest, om eerst de Makassaarsche Chrestomathie uit te geven , en dan daaruit voor het Woordenboek de voorbeelden te ontleenen, dewijl ik in dat geval naauwkeurig had kunnen vermelden, waar zij te vinden waren. Edoch het was van den anderen kant ook zaak, om, tot bevordering van spoed, beide werken tege¬ lijkertijd te doen afdrukken. Om intusschen toch te doen zien, in welke soort van geschriften de aangehaalde woorden of spreekwijzen voorkwamen , heb ik steeds de titels der Handschriften opge¬ geven. De voornaamste door mij geraadpleegde bronnen zijn:

Bid., d. i.: Bidasari, een verhaal vrij gevolgd naar het Maleisch. Vergel. v. lloëvelVs Bidasari.

Brief. Hieronder te verstaan een verzameling van brieven van allerlei aard.

D. Tjam., d. i.: Daëiïg-Tjamdemmoe. Verg. Makassaarsche Chrestomathie , bl. 413.

Djay., d. i.: Djayalangkara.. Verg. Mak. Chrest., bl. 1.

D. Moes., d. i.: Datoe-Moeseng. Verg. Mak. Chrest., bl. 321. NB. De aanhalingen in het W oordenboek zijn volgens een ander Handschrift, dan dat, hetwelk in den tekst der Chrestomathie

IV

gevolgd is, doordien ik dit laatste tijdens de zamenstelling van mijn Woordenboek nog niet bezat. Van daar wettigt nu en dan eenig voorbeeld uit dit heldendicht ontleend, dat men in de Chresto¬ mathie te vergeefs zou zoeken.

G. G., d. i.: Geschiedenis van Göwa en eenige andere rijken van Zuid-Celebes. Fergel. Makass. Chrest., bl. 137.

Godsd. Hieronder te verstaan een Handschrift , dat den gang der openbare Godsdienstoefe¬ ningen, alsmede preek en gebeden bevat.

I-latt., d. i.: I-lattobadja. Bit is slechts een smerig nietsbeduidend verhaal.

Inl. Wetb., d. i.: Inlandsch Wetboek. Bit Handschrift bevat een Compendium van Wetten, door Inlanders op last van het Gouvernement opgemaalt uit den Rdpang , en geraadpleegd bij de zittingen der Landraden. Verg el. Mak. Chrest. bl. 462.

Kei., d. i.: Kêlohg. Bit is eene verzameling van Kêlong’s. Verg. Mak. Chrest., bl. 419.

KoAerroe, d. i.: KoAerroe-koAerroe-djahg,ahg-. Verg. Mak. Chrest. bl. 415.

Lal., d. i.: Lalakoeng. Hieronder eigenlijk hetzelfde te verstaan als onder sinrili. Vergel. Mak. Chrest. bl. 492, reg. 12, vlgg.

Madi. Verg. Mak. Chrest., bl. 357.

NB. Hier geldt hetzelfde als ik reeds boven bij D. Moes. heb aangemerkt , namelijk, dat de aanhalingen meestal geschied zijn volgens een ander Handschrift , dan het in den tekst der Chres¬ tomathie gevolgde. ___

~ ^ o '&9'0 ) o ^

Maoet., d. i..- MaoAetoe-l-anbiyai (&L_A_A_j 3 f Bs titel van dit werk ( lett .: de dood

der profeten) zou stellig niet doen verwachten , dat de inhoud van zoo smerigen en puur zinnelij- ken aard is. Het behandelt de geheimenissen van den coitus, alsof het de hoofdwaarheden des geloof s waren.

Minnebrief.

Kap., d. i.: Kapang. Verg Mak. Chr., bl. 199, 238 en vooral 456.

Kap. K. G., d. i. : Kapang Kali-Göwa. Bit is een Handschrift over Kapang-, afkomstig van den Kali, of: Opperpriester, van Göwa.

Kap. T. Dj., d. i.: Kapairg Töpe-Djawa. Bit is een Handschrift , afkomstig van den Irnang ( f*^i) van Tópe-Bjdwa, een plaatsje in de Zuider distri kten van het Gouvernement van Celebes en onderhoorigheden.

Ik heb dit eenvoudig aldus betiteld, deivijl het van bl. 31 tot bl. 53 over Kapang- handelt. V oorts vindt men bl. 1 tot 19 eene soort van almanak, bl. 20 tot 30 de Makassaarsche vertaling van een Boegineesch scheepswetboek, dat ik later in het oorspronkelijk met bijvoeging van een Holland sche vertaling aan het publiek hoop mee te deelen; en bl. 54 tot 62 eenige stukken over voorteekenen , alsmede over gelukkige en ongelukkige tijden. Verg. Mak. Chr., bl. 260.

Koy., d. i.: Koyohg, of: Toerinaoeng, of: Padja-pa daëng. Verg. Mak. Chrest., bl. 417.

Sinr., d. i. ; Sinrili. Bit Handschrift bevat een groote menigte sinrili’s. Verg. Mak. Chrest. bl. 311.

Sinr. K. G., d. i. .- Sinrili Kali-Göwa. Bit Handschrift is afkomstig van den Kali, of: Op¬ perpriester, van Göwa, en bevat insgelijks eene menigte van sinrili’s.

S. Tjin., d. i.: Siti-Tjina ri-Bantaëng. Bit is een sinrili, waarin een bijzonder mooi meisje, genaamd Siti-Tjina te Bantdëng , de hoofdpersone is.

Tarn., d. i. .- Tamim, een verhaal gevolgd naar het Arabisch. Vergel. dHerbelot in zijne Bibliolheque Oriëntale, op: Tamim.

/

V

Tar., d. i.: Tarassoló. DU Handschrift is aldus door mij betiteld , omdat het van hl. 1 tot 25, en van hl. 46 tot 69 tarassoló’s en dergel. bevat, vercjel. Mak. Chrest. bl. 304. Bladz. 26 tot 45 en bl. 69 tot 102 vindt men insgelijks eene verzameling van long’s, ver gel. Mak. Chrest. bl. 419.

Tjo'bwi. Ver gel. Mak. Chrest., bl. 411.

Behalve het aanhalen van zooveel voorbeelden , achtte ik ook een vergelijking met andere, in¬ zonderheid de verwante Polynesische, talen , voor het Hollandsch 'publiek van groot gewigt. Deze talen en dialecten zijn op de navolgende wijze door mij aangeduid:

Arab., = Arabisch.

B. of: Boeg., == Boegineesch'.

Boel., = Boèloekoembaasch dialect.

Bonth., = Bonthainsch , of juister: Bantdëngsch dialect.

Ch., of: Chin., = Chineesch.

Jav., = Javaansch.

Mal., = Maleisch.

Port., = Portugeesch.

Sal., = Saleyereesch dialect.

Snskr., of: Sanskr. = Sanskritsch.

Scl., of: Sund., = Sundaasch.

Toer., = Toeratêyaasch dialect. Men ver gel. hierbij mijne '•'■Inleiding op de Mak. Spraakkunst

Dat ik het Maleisch en Javaansch aanvankelijk met de voor die talen gebruikelijke karakters en later met Romeinsche letters liet drukken, geschiedde enkel tot bevordering van den spoed , dewijl ik bemerkte , dat het bezigen van onderscheiden alphabet/! s in één en hetzelfde werk, bij het druk¬ ken geen geringe moeite en oponthoud veroorzaakte. De transcriptie van het Maleisch geschiedde steeds vólgens het Woor denhoek van Boor da v. Eijsinga, niet zoozeer wegens sympathie, maar en¬ kel en alleen , omdat dit Woordenboek tot dusverre in ons Vaderland het meest in gebruik is. Bij de transcriptie van het Javaansch ging ik eenvoudig slechts zoo te werk, dat ik de Javaansche letters één voor één met Romeinsche wedergaf, opdat een ieder , die slechts het alphabeth dier taal mogt kennen, in staat zou zijn , om de woorden in het Javaansch Woordenboek van J. F. C. Gericke, uitgegeven door T. Roorda, op te zoeken.

Niet minder dan de overgroote menigte van voorbeelden , en de overvloedige vergelijking met andere talen, getuigt voorzeker menige opmerking omtrent Makassaarsche zeden en gebruiken van mijne zucht, om, bij gebrek aan andere hulpmiddelen, den beoefenaar van het Makassaarsch zoo spoedig mogelijk al datgeen te verschaffen, ivat hij voor zijne studiën van noode heeft. Beter ware het welligt geweest, om dergelijke onderwerpen in eenig ethnographisch werk te behandelen. Doch daartoe ontbrak mij tot dusverre de tijd; en ziedaar de reden, dat ik in mijn Woordenboek daar¬ van voorloopig opnam, wat tot het verstaan van sommige spreekwijzen noodzakelijk diende mee ge¬ deeld te worden.

Eindelijk mcrke men nog de drie vólgende bijzonderheden op, die evenzeer als al het andere, dat ik tot dusverre in het midden bragt, enkel en alleen een gevolg zijn van het boven door mij aangegeven standpunt.

Vooreerst heb ik steeds zorg gedragen , om de Makassaarsche woorden met Romeinsche letters te transcriberen , en dat wel volgens een vast, reeds in het eerste Deel mijner Makassaarsche Spraakkunst meégedeeld sijsteem.

vr

Ten andere heb ik, ofschoon dit niet volstrekt noodzakelijk geweest ware , gedurig bij de naam¬ woorden, die niet op eene nasaal ( ng ) eindigden, met voorvoeging van bep., d. i.: bepalend, aan¬ geduid, op welke wijze het achtervoegsel a, dat dikwijls gebezigd wordt, om ons bepalend lidwoord uit te drukken, wordt aangehecht , men vergelijke Makass. Spraakk., § 60.

Ten derde heb ik ’t meestal bij de naamwoorden bekend gesteld, indien zij tot aanhechting van de persoonlijke voornaamiooorden , een nasaal aannemen, te weten: door het woord met het voor¬ naamwoord van den eersten persoon enkelv. er achter, op te geven en er vóór te plaatsen vnw., d. i.: voornaamwoord. Ver gel. Makass. Spraakk. § 137, lett. b.

Nadat ik in dezer voege mijn Makassaarsch-Hollandsch Woordenboek voltooid had, begreep ik, dat het voor den beoefenaar der Makassaarsche taal, vooral voor Zendelingen en ambtenaren des Gouvei'nements , ook niet ondienstig zou zijn, om eene soort van IIollandsch-Makassaarsch Woor¬ denboek te hebben. Na rijp overleg achtte ik het best, om, in stede van een gewoon woordenboek, eenvoudig een ITollandsch Register op mijn Makassaarsch Woordenboek te leveren, en daarin tel¬ kens bij ieder woord naar de rubriek, of liever het Makassaarsche wortelwoord , waaronder het voorkomt, te verwijzen, ten einde den Lezer in staat te stellen, om niet enkel de beteekenis der woorden, maar ook de wijze ivaarop zij gebruikt worden, en in welk verband zij voorkomen, te leeren kennen.

Aan het einde van dit Register vindt men ook nog een aanhangsel betreffende Botanie. Daar¬ over het volgende: In het laatst van mijn verblijf ie Makassar trachtte ik mij de welwillendheid en kunde van den vooral in de botanie zeer bedreven Dr. Bauer ten nutte te maken, en met zijne hulp zooveel mogelijk de wetenschappelijke benamingen voor de onder de Makassaren voorkomende planten op te sporen. Door mijn vertrek naar Holland werd ik tot mijn leedwezen verhinderd , om ZEd. alle in het Woordenboek vermelde gewassen behoorlijk te vertoonen. En zoo restte mij bij mijn terugkeer in het vaderland nog menig voortbrengsel uit het plantenrijk , waarvoor ik enkel en alleen de Makassaarsche benaming kende. Wel had ik nu en dan eenige dienst van HasskarVs Aanteekeningen over het nut, door de bewoners van Java aan eenige planten van dat eiland toege¬ schreven ( Amsterdam bij Johannes Muller 1845). Doch meestal liet dit werkje mij onbevredigd, aangezien het zich, gelijk de titel zelf aanduidt, geheel tot Java bepaalde, en ik bovendien, zoo de besproken plant ook al insgelijks op Celebes te huis behoorde, toch dikwerf niet wist, onder welke benaming zij in het Makassaarsch bekend stond.

Toen ik hierover met den Heer F. A. W. Miguel, vroeger Hoogleeraar in de botanie te Am¬ sterdam, thans sedert kort in diezelfde betrekking te Utrecht geplaatst, sprak, gaf ZHG. mij den raad, om het Herbarium Amboinense van G. E. Rumphius te doorloopen ; dewijl deze bekende botanicus wel hoofdzakelijk de planten van Amboina, icaar hij zich gewoonlijk ophield, beschre¬ ven, doch ook hetgeen hem van elders met Inlandsche vaartuigen werd aangebragt , niet versmaad had. In dit iverk vond ik dan ook verscheidene Makassaarsche plantennamen. En dit gaf mij aanleiding, om, daar mijn Woordenboek reeds grootendeels af gedrukt was, een aanhangsel daar¬ aan toe te voegen , waarin ik al die bij Rumphius voorkomende Makassaarsche ivoor den , door zijne onbedrevenheid met de taal niet weinig onkenbaar geworden, excerpeerde en zooveel mogelijk ver¬ beterde.

Dat ik hierbij meestal de tegenwoordig in de wetenschap gebruikelijke benamingen konde opge¬ ven , heb ik enkel aan Professor Miguel te danken , ten deele aan zijne Flora , ten deele aan zijne mondelinge mededeelingen , waarvoor ik ZHG. bij dezen mijri hartelijken dank betuig.

Op dit aanhangsel liet ik vervolgens ook nog eene Lijst volgen van alle Makassaarsche

VII

plantennamen , die in mijn Woordenboek voorkwamen. Ik acht het overbodig , de doeltreffend¬ heid hiervan aan te toonen. Ik vertrouw , dat een ieder die pereedelijk zal erkennen.

“Maar” hoor ik, dunkt mij , menigeen bij den eersten aanblik uitroepen , waartoe die ver- “zameling van platen , bij een taalkundig Woordenboek ? Van zoo iets was immers nog nooit te voren sprake.” Ik acht mij dus verpligt hiervan rekenschap te geven.

Heeds bij de eerste zamenstelling van mijn Woordenboek , zag ik duidelijk in, dat het moeije- lijk, ja volstrekt onmogelijk was, om van onderscheidene voorwerpen, die in Europa geheel onbe¬ kend, of geheel anders zijn, enkel door omschrijving eenig juist denkbeeld te geven. Een getrouwe afbeelding was hier noodig. En dit bragt mij op het denkbeeld om eene zooveel mogelijk volledige verzameling ie maken van alle voorwerpen , die tot het leven en de huishouding der Makassaren behoor en.

In Holland teruggekeerd , had ik aanvankelijk zeer veel moeite, om iemand te vinden, die bereid en bekwaam was, om grootendeels enkel uit liefde tot de schoone en verheven taak die het Nederlandsch Bijbelgenootschap zich gesteld heeft, verreweg de meeste tot die collectie óehoorende en nog enkele andere van elders ontleende voorwerpen af te teekenen. Bank zij der welwillend¬ heid van den Heer J. van Maurik , Architekt te dezer stede, die niet enkel geheel belangeloos toestond, dat zijn leerling, de Heer C. A. Schroder Ir., tot zelfs de uren welke hij anders in zijne dienst besteedde, voor een groot gedeelte aan deze moeijelijke taalt wijdde, maar bovendien den jeugdigen kunstenaar steeds met raad en daad ter zijde stond. Het voegt mij niet, om over de voortreffelijke wijze, waarop de Heer Schröder zich van zijne taak gekioeten heeft , uit te wei¬ den. Boch ik vlei mij, dat het publiek , zoowel met het werk van den Heer Schröder, als met de lithographiën van den in zijn vak zoozeer bedreven \ Heer T. Brüggemann tevreden zal zijn.

Aangezien deze platen welligt ook voor de ethnograplde van eenig belang zijn, wordt er een zeker aantal exemplaren voor het publiek afzonderlijk verkrijgbaar gesteld. Ik heb daarom ge¬ meend, behalve de verklaring aan het einde van het Woordenboek , nog bovendien voor den Atlas een beknopte duidelijke Uitlegging te moeten plaatsen. Be uitvoerige beschrijving van de Makas- saarsche gebouwen, in eerstgemelde Verklaring voorkomende , heb ik grootendeels aan de Heer en van Maurik en Schröder te danken ; en deze heeft daardoor gewis, uit een architektonisch oogpunt beschouwd, icetenschappelijke waarde.

Bij de overige platen heb ik meestal eenvoudig naar het Woordenboek vencezen. Hier en daar echter zal men ook nog het een en ander vinden, dat eigenlijk in het Woordenboek te huis behoord had, doch daar door mij over het hoofd gezien werd. En dit brengt mij als van zelf tot de Lijst van Verbeteringen en Toevoegsels aan liet einde van mijn werk, die tot mijn leedwezen grooter geworden is, dan ik, verwacht had.

Veel zou ik tot verontschuldiging kunnen bijbrengen. Boch de voorname oorzaak van het kwaad is gelegen in den spoed, waarmede ik mijn iverk heb trachten uit te geven. En wie zal het den man, die nog zooveel land ter beploeging voor zich ziet liggen, die nog een Spraakkunst , Chres¬ tomathie en Woordenboek voor het Boegineesch, die nog een Bijbelvertaling , zoowel in Makas- saarsch als Boegineesch, te bearbeiden heeft; wie , zeg ik, zal het dien man ten kwade duiden, dat hij alles in het werk stelt, om terug te spoeden naar Celebes, en zijn werk met ijver voort te zet¬ ten? Maar bovendien teas er nog een dubbele reden, die mij bij dag en nacht aanzette, om. niet te vertragen.

Be Zendelingen in het Gouvernement van Celebes, de Heer en W. M. Bonselaar , en A. Gouds¬ waard, mannen die van wege hunne kunde en bezadigden ijver, van wege hunne braafheid en waar-

VIII

achtige godsvrucht , van wege hunne verdiensten omtrent de vroeger zoozeer verwaarloosde Euro- pesche gemeente te Bantdeng , de achting van alle weldenkenden in die gewesten ivegdragen, zij wenschten, overeenkomstig de vroeger van de Hooge Begeving te Batavia bekomen magtiging , zoo spoedig mogelijk insgelijks in hunne eigenlijke betrekking van Zendelingen op te treden. Daarvoor was het hun noodzakelijk , om eerst de Makassaarsche taal grondig te beoefenen. Geen toonder dus , dat het hun niet genoeg was , dat ik hun reeds vroeger mijne Spraakkunst en Chrestomathie in manuscript ten gebruike afstond. Zij hadden ook behoefte aan een uitvoerig Woordenboek. En mijn pligt was het. hun dit hoe eerder des te liever te bezorgen.

Doch niet enkel bij de Zendelingen , maar ook bij het Gouvernement bestond groote behoefte aan een werk van dien aard. Bij herhaling wendde het pogingen aan, om door zijne Ambtenaren een Makassaarsche woordenlijst te doen vervaardigen. Doch vruchteloos. Eindelijk besloot de Gouver¬ neur- Generaal, zoo ik teel onderrigt ben , op voorstel van den Gouverneur van Celebes en onder - hoorigheden, den Hoog Edel Gestreng en Heer D. F. Schaap, om geen verdere pogingen in het werk te stellen , maar de uitgave van mijn Makassaarsch Woordenboek af te wachten.

Mogt die goede verwachting niet geheel beschaamd , en mijn werk , ofschoon nog zeer gebrek¬ kig, ten minste dienstig bevonden worden, om, nevens mijne Spraakkunst en mijne Chrestomathie , den Zendeling en Ambtenaar meer en meer den weg te banen tot een grondige beoefening der Makassaarsche taal ! Mogt alzoo mijn arbeid eenmaal blijken , zoowel voor de wetenschap als voor Kerk en Staat eenige vrucht te hebben voortgebragt!

Amsterdam, December 1859.

B. F. MATTHES.

MAK ASSA ARSCH WOORDENBOEK.

✓✓ (ka). Eerste letter van het Makassaarsch alphabetic

✓✓ (1°. ka.) Yergel. d N°. 1.

(2°. ka). (Vergel. het Jav . in 77 \) Welligt oor¬ spronkelijk niets anders, dan een woordje, om de aandacht ergens op te vestigen, waarvoor wij

bijv. zie!, de Arabieren Ü», , enz., de He¬

breeuwen ‘ie1, de Latijnen ecce!, anderen wederom wat anders, bezigen; bijv. Têdonga bêdehg, ka- nitoenoe-bêmbe-mami, de buffels, zie! zij loerden in zoo groote menigte geslagt , dat liet was , als of het maar geiten waren. (S. Tjin.) Inli-ka noe- palangêri?, wie is het, zie! van wien gij dat gehoord hebt? (Djay.) Inai-ka antoe arênna? lett. wie is het, zie! die, zijn naam? , d. i. Hoe heet hij? (Bid.) Inai-ka-köntoe?, lett. wie? zie! gijl

A

daar? dat is: wie zijt gij? (Tamim.) Taoe apa- ka-köntoe, anrong? lett. wat voor mensch? zie! gij daar, moedertje? d. i. wat zijt gij voor mensch, moedertje? (Tam.) Kodiya-ka-niya taoe aiïgkana, dat het niet gebeure, zie! er is iemand , die zegt, d. i. dat niemand zegge. (Djayal.) Pisiyapa-are- mi-ka banginna leba koebattoe?, hoeveel dagen, zie!

is dat geleden? ik weet het niet regt, d. i. ziel eenige dagen geleden, ben ik gekomen.

Areka. Vergel. are N°. 1.

Iyareka. Vergel. are N°. 1.

A yj

Iyaka. Vergel. iya.

Kala. Vergel. dia N°. 1.

A i-^.* /O

Anjdjo-ka, enz. Vergel. dnjdjo.

Ngapa-kaiyanjdjo, na-iya nikasoesang ? , Hoe ! zie dat eens! daarover zoo bezorgd te zijn! d. i. wat reden bestaat er, om daarover zoo bezorgd te zijn?

Van daar dit ka, al naar het verband, op on¬ derscheidene wijzen te vertalen:

a) ka . . . ka, of . . . of; lett. zie! . . . zie!, bijv,: Têdohg-ka, djarang-ka, lett. zie! buffels!, zie! paarden! v. d. of buffels, of paarden. (Djay.). Kaïya . . . kaïya. Vergel. iya.

b) ka, dewijl, daar, want; lett. zie! bijv. la- lampa-ma, ka-bêlla-doêdoewi, lett. ik zal gaan, zie! het is zeer ver, v. d. : want het is zeer verre.

c ) ka = ’t Maleischc tjdba, och of! ware het dat! (= ’t Makass. kadé) lett. zie! bijv.: ka-niya-

djanne, och of ik ware, enz. lett. zie! men neme

\

o

eens aan , dat, enz. (Sinr.) Ka-niya-djanne nak- koé nipapikatoewang, enz., ware het, dat ik mijn hartstogt voor de geliefde konde over zenden, enz. lett. zie! neem eens aan, dat, enz. (Sinr.)

Ka-kamma. (Verg. op: kdmma N°. 2.) Letter¬ lijk: zie! neem eens aan, dat het zoo ware, d. i.: ware het zoo.

K:\ta = liet Maleische tjóba tiydda, lett.: zie! neem eens aan, dat het niet het geval ware, d. i. ware hel niet, bijv.: Kata panrita-dja mapalêwa-lê- wa nakkoé; kata matatta-djamang-êrangsimpoeng- pamaï ; sikade djammeng-dja, enz.; ware het niet, dat ik in staat was, om mijn hartstogt in evenwigt te houden; ware het niet dat 'ik vcrmogt mijn hartzeer te dragen; zoo zou het weinig schelen of ik stierf, enz. (Sinr.) Volgt op een volzin, met kata beginnende, het werkw. van zweren met eene ontkenning; zoo wordt de negatie niet uitgedrukt; bijv.: Men zegt, wanneer kata niet voorafgaat: Koepasapattangi ta-lamangêkoe, ik bezweer het, dat ik niet zal gaan ; doch wanneer kata voorafgaat , bijv. : kata toe-malompöwa asoero; zegt men : koepasa- pattang lamangêkoe, ware het niet dat de Gou¬ verneur het bevolen had, ik zweer dat ik niet zou gaan, of: masapatta-dja lamangeya ; al zoo : la¬ mangêkoe, ofschoon men zou verwachten: ta-la- mangêkoe; en: lamangeya, ofschoon men zou ver¬ wachten : ta-lamdngeyd. Van waar dit verschijn¬ sel?, te meer daar het zonder het werkwoord zweren niet schijnt plaats te vinden; te meer nog, daar een’ stellende phrase achter het werkwoord van zweren niet omgekeerd negatief schijnt ver¬ taald te worden; men vergelijke slechts het vol¬ gende voorbeeld: kadé ta-toe-malompówa apisang- kai; asapatta-dja lamangêkoe, ware het niet, dat

de Gouverneur het verboden had, zoo zweer ik dat ik zou gaan. (Sinr.) Kata padatari-djanne, ma¬ sapatta-dja labaki, ware het niet dat ik moest sterven; zoo zou ik zweren, om niet te sterven. Katai toe wang- anjdjöreng, asapatta-dja labaki, zoo mijnheer daar niet icoonde , zweer ik, dat ik er nimmer kwam. Welligt wordt de negatie slechts daarom weggelaten, dewijl dezelve ten ge¬ volge van het in de praemisse voorkomend kata, duidelijk uit het verband blijkt.

d) ka, soms = het Maleische als onaf-

/ A

scheidbaar vraagwoord, bij voorbeeld: Apa-ka, lett.: zie, wat? Lanaoengka-ko?, zidt gij neder¬ dalen? Lalampa-ka-ko?, zult gij heengaan?

(3°. ka), gebezigd als bepalend lidwoord. Verg. a N°. 3.

(4°. ka), soms welluidendheidshalve tusschcn het werkwoord en persoonlijk voornaamw. inge- lasc'ht. Yergel. a N°. 6.

(5°. ka), ook gebezigd als onafscheidbaar voor¬ voegsel tot -vorming van woorden, even als in het Javaansch en Maleisch, als:

a.) Yan zelfstandige naamwoorden , bijv. : ka- lompowahg. Yergel. op: lompo; en vergel. mijne Makass. Spraakk. § 51. b) Van bijvoegelijke naamwoorden, bijv.: kamalla-malla. Verg. malta; en vergel. mijne Mak. Spraakkunst, § 73. c) Van rangschikkende telwoorden, bij voorb. : ka- tdlloe , of mdkatdlloe , derde. Vergel. tdlloe; en vergel. mijne Makk. Spraakk., § 119. - d.) Van werkwoorden, bijv.: katoegoAeri, vergel. toegoe- roe; kaëroki, vergel. éró. Men vergel. ook mijne Mak. Spraakk., § 182.

" (1° hang) vnw. 1. pers. meerv. mannel. en vrouw. (Boeg. king en ikahg, idem.) bijvoorb.

3

êró-ngaseng-makang , wij willen allen. (Djay. , Hap.)

(2° kang.) Vergel. ang.

ss (1° ki.) Vergel. i N°. 1.

/

(2° ki), vnw., 2. pers., mann. en vrouvvelijk,

enkel en meerv., alleenlijk tegen meerderen gebe-

/

zigd. B. idem. (verg. ko) ; bij voorb.: Salamaki ri- lampata, toewang, wees voorspoedig op uwe reis, mijnheer , d. i. gelukkige reis, mijnheer, of geluk¬ kige reis, mijne heer en!

/

(3° ki), vnw., 1. pers., m. mann. en vrouwe- lijk. Boeg. id. Bijv.: lampa-maki, wij (jaan.

(4° ki.) Vergel. i N°. 2.

✓✓ (1° koe) , vnw., 1. pers., enk., mann.

en vrouwl. (B. idem.) Vergelijk het Maleische

i .. a , A~

^J, het Jav. tny^ ; bijv. Niya-koebatja, ik ben lezende,

d. i. ik lees. Djarangkoe , het paard van mij,

d. i. mijn paard.

(2° koe), onafscheidbaar voorvoegsel, bijv. koe-

^ ; / d t / y _ , _ _

sissili, van: sissili (Boeg.); koetanang, van : tanang,

A

(verg. ’tMal. ^Ij); koesissing, vansissitïg .1, enz.

(1° ke.) Soms in het dagelijksch leven gebezigd voor: kere, bijv.: battoe kê-ko-maë? voor : battoe kêre-ko-maë ? , waar komt gij van daan? Kê-ko-maë?, waar gaat gij heen ?

(2° ke), welligt = e, ons o! in de woorden koerroe-ke-djahgang, kom eens hier , o haan!

(3° ke) = keng ; v. d. iyake-,Q. n v. d. met ach¬ tervoeging van pa, (vergel. beneden,) iyakê-pa, zelfs

A

Vergel. het Boeg. ke en iyakanneny , idem.

\SS (keng), bijwrd., zelfs; bijv.; iya-keng anjdjo P oetiri-Baana-Kassiyang êró ampamate- matei manggena, zelfs vnldie vorstin Raana-kassi- yang voor haren vader sterven. (Djay.)

✓✓ "s (ko), vnw. 2. pers., mann en vrouwl.,

enk. en meerv. gebezigd tegen minderen ; of ook tegen menschen, die in rang gelijk met ons staan, mits wij op gemeenzamen voet met hen zijn. Insgelijks gebruikt, wanneer men het Oppencezen aanroept. (Boeg. idem en ook aa ss 'N (iko).

O 'fy'

Mal. yS en Jav. bijv.: lampa-mako, ga gij

heen. Vergel. noe.

O

SS SS (1° kaka) = ’t Mal. ouder

broeder of zuster. (Boeg. idem; Jav. ihti<kv\ idem), bep. kakaya; vnw.: kakahgkoe, kakanta, kakan- na. Bij voorb.: kakanna badjika, de oudere (d. i. de oudste ) zuster , d. i. de eerste (voornaamste') der schoonen. Kakanna rawang, is een door schijnend kleedje, doch dat minder transparant is , dan de patóla-rdwang , en daarom ook door oudere meisjes gedragen wordt. Kakai asêya , lett. de paddie is een ouder zuster, d. i. staat beter , bijv. dit jaar dan een vroeger. Vergel. «W'N°. 1.

(2° akaka), kwaken, eenden bijv. B.idem. Verg.

O ^ ^

’t Mal. kakelen.

(3° kakka), ngakka, rukken, v. d. ngakka roe- koe, gras uitrukken. V. d. ook: ngakka rinring } eene muur omver rukken, (omverhalen.) Tatai mangakka , de dysenterie hebben (omdat die onge¬ steldheid gepaard gaat met hevige persingen. Men doet zijne behoefte als ’t ware met rukken.

Sikakka, elkander rukken, d. i. elkander bij het lijf pakken en de kleéren van het lijf scheuren.

SS SS (1' kangkang), krabben. B. idem.

(2° kangkang) = ’tMal. de vuist of hand

toesluiten, met de vuist vatten. Si-kahgkang

Mal. een handvol.

SS ss (kaki) Mal. en ’t Jav. in-nidlis. Si-

kaki , één voet (maat.)

// ss ~\ (kako). Kakowi, cnpasikakowiliman-

1*

4

na , één of beide handen van voren tegen zijn lijf aanhouden.

ff ff -\ (kangkong), soort van groente , Con¬ volvulus reptans. L.

ff // (1° kiki), of kiki-kiki , (verg. het Mal. knagen, knabbelen), afkluiven, afknabbelen.

" y,

Takiki battangkoe, ik krimp inéén van de pijn in het lijf. Takiki-mi , hij krimpt al meen; geb. van iemand die op sterven ligt.

(2° kiki), ie , ie schreeuwen , van blijdschap bijvoorbeeld. Ook gebez. van het geluid dat de Marêgé’s bij het dansen maken. Zoo insgelijks van het hinneken der paarden. Vergel. hgisi. Boeg. idem.

(3° Kiki) = kdkó, bijten. Yergel. het Mal.

(4°mapakiki badjoe-gadoe), zijngddde onder het

loopen een weinig opnemen of opligten. (S. Tjin.)

A

y/ ff (kingking), de sarong eventjes opligten, gelijk de Inlandsche vrouwen loopende dikwijls doen.

A

Kihgk ingang, instrumentje dat de weefster aan de pakardkkang vastmaakt 4 om die te kunnen opligten tot ’t doorlaten der draden.

A

Pakingkingang , de kleéren opligten voor iets (opdat zij daardoor niet besmet worden). (Sinr. Tar.)

ff ff (köekang), icees, v. d. ook o verdragtelijk geb. van iemand, die verlaten, die alleen, die zonder minnaar is. Koekahg lappassa, een wees , die beide ouders- verloren heeft, (lett. die los is, door niets meer gebonden .)

A

ff ff (1° koekoe), geraakt, gevoelig, gram-

A

storig, gramschap, bep. koekoeka. Pangalarró-

A

wang koekoe, hartstogt, gramschap.

Kakoekoekang , ’t verstoord zijn, ’t misnoegen.

(2° akoekoe), kirren (duif). Boekocroe badji akoekoe, eene aangenaam kirrende duif, v. d. ‘eene verleidelijke slechte vrouw. B. idem.

(3° koekoe), met beide armen uitgooijen, bijv. een net. (Dat. Moes.)

ff ff (koAehgkoehg), akoehgkoeng , krimpen , inkrimpen. Takoehgkoehg , idem; bijv.: Ta- koehg'koehg'i limahgkoe, ik krijg de klem in mijne handen.

\ // ff (kêkoe) = rêkoe,

\ ✓✓ \ ff (1° keké), bep. kekeka, scheur, in een kleed bijvoorbeeld, scheuren, gescheurd ; v. d. een gat; v. d. datgeen wat men af gescheurd heeft, d. i. een stuk, bijv.: karattasa si-keké, één stuk papier, van daar: één brief. (Tar.)

Pahgékêkang, datgeen wat men, bij het scheu¬ ren van de stof voor een kleed, weg gooit.

(2° kêke), bep. kekêya, klein.

(3° kêke) =. kékesé-, v. d. pakêke, schop, spade, bep.: pakekêya. Pakêke-pa ampasisa- laki , een spade, (wij zouden zeggen: de dood) al¬ leen kan hen scheiden-, geb. van echtgenooten. Yer- gel. kalibong. Pakêke nikówang. Yergel. ko- wang. Pakêke panróli. Vergel. panróli.

ff ff 'N (1° kóko), bep. kokówa, (vnw. kokóngkoe, kokonta, kokönna), tuin.

Pakoko, tuinman, (bep. pakoköwa).

Pakoköwahg, lett. tuiniering, v. d. tuin , die beioerkt ivordt.

(2° akoko-kókó), kakelen {hen) ; ook geb. van het geluid van kalkoenen. (Djay.) = ’t Jav.

rj inn z rj ttm zrjrtmzrj run z

A A

(3° akókó), bijten, bijv.: een hond. (B. bko, mbkó). Parisi-battang angdkó, bijtende, d. i. snij¬

dende buikpijn.

D

Kókökahg, slang (paard).

Nipikóköki boembêra anjdjo taoewa. Yergl. boembêra.

A

Pasikdkó, in elkander doen bijten , d. i. in elk¬ ander doen sluiten , d. i. zamenklinken ; bijv.: anoe nipasikdko, iets dat zamengeklonken is.

(4° kdko), iets sterk, in hooge mate doen ; (B. dkd) bijv.: Nakdkdki lari djaranga, liet 'paard is op de hol. Nakdkdki lari bisêyanga, het schip wordt (bijv. door storm) met allergeweldigste vaart voortgedreven, zoodot er aan geen sturen meer te den¬ ken valt. Nakdkdki malla taoewa, de menschen worden door de allersterkste vrees voortgejaagd.

// "\ ✓✓ ~\ (köngkong), hond. Ook als scheld¬ woord gebezigd, en alsdan minder beleedigend dan têla'lTg-dnrong dnne, en dergel.

Kohgkoiïg-kohgkohg, soort van waterhoen, ge¬ noemd naar zijn geluid, dat wel iets heeft van het blaffen van een’ hond. De Europeanen bestempelen dezen vogel soms met den naam van verklikker. Vergel. bintdpoe en poenróró. De kongkong- köngkong wordt op Bonthain genoemd : bdka-bdka.

Kóngkong-djené, otter. NB. op Bima ge¬ noemd: lako-di, insg. lett. waterhond.

Bij het dlógo en andere spelen, wordt het woord kóngkong gebezigd voor ons : een streepje aan krijgen.

Masoero-kongkohg ri, hondsch zijn jegens.

/

Agaöe-kdngkong , hondsch behandelen, bijv.: têya inakke noegaoe-köhgkohg , ik wil niet hondsch (als een hond) door u behandeld worden.

SS SS £. (kakambang). Yergel. kdmbang.

SS ss s\ (kakatoewa), bep. kakatoewa- ya, nijptang. Mal. kakatoewah. (B. idem.)

✓✓ "\ ✓✓ (kokótji), bep.koköijika, soort

van vogel die gedurig roept kokotji. (B. idem.)

// SS ^ (1° kakkara), getornd zijn. (Sinr.) Takakkara, idem. Kakka-kakkara, torusel. (Kei.)

(2° kakkara sómbalaka), de zeilen losmaken , ontrollen. Takakkara, losgemaakt, geopend zijn, bijv. een’ baarmoeder bij de bevalling.

SSSSfi^ (kikiri), bep. kikirika, vijl. B. idem. Jav. en Mal. kikir.

Taoe-kikiri = ’t Mal.: orang kikir, vrek.

SS SS ^ (koekoerang), Saleyer. pakéróe , rasp.

SS 'N SS "N ^ (kókkoró), af brokkelen, bijv. eene muur, of de oever eener rivier, v. d. ook overdragt. geb. van menschen, die bijv. in hun fortuin achteruitgaan.

SS SS ^ ✓✓ ✓✓ (kikiri-kakara), bep. ki- kiri-kakaraka, ’t Mal. kikir kakar, soort van bloem, Ageratum Conyzoides, L.

SS SS (kakala), lagchen. B. kaka. Ka- kali, iemand belagchen, bespotten. (Sinr.)

SS SS ^ (kakalóe). Yergel. kdlo'e N°. 1.

ss ss ^ (koekkoelóe), bep. koekkoeloeka, afgestroopte huid. Verg. bo'ekoeleng. - Koekkoe- lóe-bawi , zwoord.

SS SS O (kakkasa.) Kakkasang, uitschud¬ den , een doek bijv.; openslaan. Bómbohg ta- kakkasa, of takakkasaiïg , jong geopende uitspruit¬ sels der bladen. (Madi.) Kakkasang- botjênna. Vergel. bótjeng. (Boeg. wakkdsang, idem). Kak¬ kasang banrangahga. Vergel. banrdngang. Kakkasang labaya ri-dallekangkoe, den tegenzin uitschudden voor mij , d. i. mij laten blijken. (Kei.)

% ^ % A t /

// // O (kikkisi), schrapen , afkrabben. (Mal. y**Xlo.) NB. op Gowa niet verstaan, alleen tc Makasser.

\SS\SS\ O (kckesé), graven; bijvoorb.:

6

Anjdjo biring-binangaya, nakékeséki djené, die oever van de rivier wordt door het water uitgegraven, d. i. af gebrokkeld.

SS sf (kapa). Kapa-kapa, bep. kapa-kapaya, een kabaai. B. idem.

SS (kapahg), meenen, gissen , denken, quee¬ ning, vermoeden, achterdocht , suspicie. (B.idem.) Ködi-kapang, wantrouwend. Kapang-sala, arg- icaan. Taëna kapanna, ta-niboentoeloe , het is niet te deyiken, dat hij niet gevonden zou worden. Taoe-nikapang, iemand die verdacht is. Djari kapanga, lett. de achterdocht wordt, v. d. men krijgt suspicie. (Rap. T. Dj.) Taoe nipaka- naïya nikapang, de man, op wien men zegt sus¬ picie te hebben, te weten : van diefstal of iets anders. (Brief.) Kapang-djiya, het is slechts eene mee¬ rling , d. i. het is te betwijfelen, te wantrouwen. (Sinr. K. Gr.)

Piti-kapang-kapang , iets verkeerd meenen, zich vergissen, het mis hebben, bijv. ka-gassingki piti- kapangkapangi, daar wij het dikwijls mis hebben. (Brief.)

SS sf (kampi), hoeden, vee bijv. Boeg. idem. /

Pakampi, bep. pakampika, hoeder, oppasser, bijv. van paarden, van buffels, enz. Yerg. kdmmi.

SS Vf (kamping) , bijwerk, bijv. geb. van een Gouvernements-ambacktsman , die in zijne leêge uren bovendien voor anderen werkt. B. idem.

// fff (kapoe) digt maken, sluiten (doch zoo, dat er een kleine opening blijft), bij v. een baadje, de oogen, enz. Boeg idem. Sassahg-kapoe, donker , doch zoo, dat de sterren bijv. nog zigt- baar zijn. Römahg sikfipóe, een digt bosch. (S.

Tjin.)

✓✓ yA (kampoe), bep. kampoewa, = ’t Mal.

O . ffs A

, werkdoosje. (Tar.'Sinr. K. G.) Kampoe nawa-nawa, lett. doosje van het denken, d. i. het verstand. (Tar.)

SS (l°kape), bep. kapêya, lam.

(2° kape), xoenken, toewenken. (B. idem.) Bijv. Ni- kape-mi sangge kape; nipanjdjódjokang-mi empo- wang, hij werd herhaaldelijk gewenkt, terwijl men hem eene zitplaats aanwees. (MmY\.') Nikape-aua-gallar- rang , als eene galldrrang s dochter gewenkt wor¬ den. (S. Tjin.)

(3° Sdngkó kape-kape), bep. kape-kapêya, soort van muts of kap, die oude menschen soms opzetten tegen de koude, bedekkende niet slechts het hoofd van boven , maar ook de ooren en den nek. B. idem. Pakape-kape , iemand die dik¬ wijls zulk een muts draagt.

(4° kapé), bep. kapeka, doek om te kipassen, of de vliegen te verjagen, van daar ook : waaijen met een waai- jer, wuiven met een doek of vlag. (B. idem); bijv.: Ni- kapé-mo bandera koenji ; men wuifde met ( deed wappe¬ ren) eene groene vlag. (Djay). Kapé soemahga , door middel van wuiven met een doek , den levens¬ geest van een ziek kind trachten te behouden, of anders terug te roepen, gelijk soms door een sdnro geschiedt. Yerg. soemangd.

SS \ sf (1° kampe). Takampe = tdkdppo , aankomen. (Sinr.) Yergel. Icdppo N°. 3.

(2° kampe), bep. kampêya, baai, bijv. kampêna

A

Dima, baai van Buna. (B. idem.)

SSff~\ (1° kappó), bep. kappoka, bogt ; deuk, (in zilverwerk bijv.); bogt in den grond , v. d. lage uitgeholde grond. Akappó, een’ deuk hebben. Nikappó gebezigd van het in de breedte vouwen der stukken kapas, vóórdat men ze op de knie met een mes glad snijdt. Bontówa nakana

/

kappó, den Imogen grond houdt hij voor een uitge- holden. NB. gebez. van iemand, die uit verlegen¬ heid of kwaadheid niet meer weet, wat hij zegt of doet. (Dat. Moes.) Kappó-kappó niké- kesé; bónto-bönto nitamboengi, lett. een lage uitgeholde grond wordt gedurig meer uitgegraven, een hooge grond wordt gedurig meer opgehoopt. Zin: Be armen worden steeds armer, de rijken al¬ toos rijker.

(2° akappo)l zich vereenigen , zamenkomen.

(3° takappo), aankomen. (Boeg. idem.) Van daar: takappo-mi , het is reeds klaar; lett. reeds aangekomen.

SS sói (kappong). Aldus op Tope-Djawa genoemd: de groote siso of bódjo. Vergel. kapóteré.

SS 'N (1° kampo). Pakampowi bidana, zijne Sarong zoo vastbinden, dat dezelve aan reg- ter- en linkerzijde met ruimte of met een boezem valt. Vergel. gdmpoeng. (Boy o hg).

(2° makampo), rijk zijn. (Sinr.) Bijv.: toe-ma- kampowa tinróna, zij, wier slaap rijk is, d. i. zij die alles hebben, wat gevorderd wordt, om lekker te kunnen slapen, die bijv. een goed en van dikke gordijnen omhangen bed hebben , wier slaap door geen gedruisch of iets anders gestoord wordt,

A t /

enz. Waar echter in de Sinrili’s vooral op ge¬ doeld wordt, is, dat zij niet alléén in bed liggen. (Sinr. K. G.)

(3° kampo of takampo), komen tot, doordringen tot, bereiken; bijv. pöle takampo ri-bahgkênna sapanaya , komen tot aan den voet van de trap. (Madi). Takampo tale ri-kampong, doorgaan tot , bereiken een kampong aan de overzijde. (Tar. , Sinr., en Dat. Moes.) Makampo ta-nikampo , komen, zonder dat een ander tot ons durft te ko¬

men , d. i. aanvallen zonder weérkeerig aangevallen te worden. (S. Tjin.)

✓✓ /A (kampong), Mal. een kampong , een omheinde plaats.

SS /A (koAepa), soort van schelp.

5 5,

aA (koepoe). Vergel. ’t Mal. yï>y en ’t Jav. «7^^. Koepoe-koepoe , bep. koepoe-koepoewa ,

’t Mal. VjZjS, kapel.

\ SS xA (kêppahg), Boeg. = têmpang , mank, kreupel.

\ ✓✓ (kêppó), bep. kêppoka, deuk, bogt.

Boeg. kappo. Akêppó, met deuken zijn, v. d. ingebogen, gedrukt, ingedrukt worden, bijv.: de borst; als: antêmpa-têmpa barambahg; sala kêppó, zich op de borst slaan, zóó, dat het weinig scheelt of dezelve wordt ingedrukt. (Madi.) Vergel. kappó

N°. 1.

SS^séi (1° kompa), soort van muzijkinstru- ment , eertijds in gebruik. (G. G.)

2) kompa, = tdngkoe, = tang kir i , spalken.

SS "\ AA (köpi), bep. kopiya, koffij.

SS \ yA (kope), = tcidóling. Soesoe akopé. Vergel. soesoe. Boelo kopé. Vergel. boelo. (B. idem.)

SS ”\ aA -\ (kompohg), hulp , hulptroepen , = tómhong. Nikómpohg, = nitómbong , gehol¬ pen worden met werkvolk, met hulptroepen en der- gel., bijvoorb.: Poenna nisaoeroeka, kompongiya, zoo ik overwonnen word, help mij dan met hulp¬ troepen.

Kompohgahg, soort van koker, meestal van tala-blad , soms ook van goud , tot beveiliging van den nagel des linkerduims, dien voorname da¬ mes soms zeer lang laten groeijen.

✓✓ aA "\ ✓✓ *\ *5- (kapohgkolahg), geb. van

8

Geborsten van een jong meisje, die reeds een weinig beginnen op te zwellen. Ook geb. van ’t hertebeest. Yergel. djohga.

SS aA aA ^ (kapanggarang), het zigtbaar wor¬ den van het zand en van de steenen door het vallen van het water.

SS aA ”\ aA (1° kapopang) zoom (van naai¬ werk.)

(2° kapopang), (Boeg. apópang,) een boengkeng of pinang -schaal , gevouwen, en gebezigd om rijst, of ook om kleêren, in te wikkelen. NB. wordt digt genaaid , terwijl de talempangang maar digt gebonden wordt.

O

SS \ aA S\ (kapéta), bep. kapétaya, zegen , zegenen , gezegend ; bijv.: Alia kapeta, de zegenrijke God. (Sinr.) Toena-kapeta , gering maar geze¬ gend ( 'tevreden .) (Tar.)

(Boeg. idem). Kappara tangkoeloe. Yergel. tdngkoeloe.

SS aA ^ (kapoerroe), bep.: kapoerroeka, rim¬ pel. (Boeg. idem). Akapoerroe, gerimpeld. (Bid.)

SS x aA \ (kaperé), bep. : kapereka, ’t Ara¬ bische ongeloovige.

✓✓ aA "\ ^ ~\ (1° kaporó), bep. kaporoka, ’tMal. ’t .Tav. Kaporó-baroesöe, =

’tMal. kamfer van Baros op Sumatra,

(’t Jav. ihm

(2° kaporó), bep. kaporoka, eene manier van geld opzetten bij het idngkó- spel.

SS '*\ aA ^ (kómpara), bep. kömparaka. Dit heet bij het omispel, zoo één der spelers geen en¬ kel prentje, noch spadille, manille, basta of ponto, in zijne hand krijgt, als wanneer er moet over¬ gegeven worden.

Pangapétai, het zegenen , (Rap.) v. d. de gunst, ss aA ✓n (kapatiyang). Vergel .pdti N°. 1.

✓✓ aA -\ A ✓N \ ^ (kapöteré), bep. kapötere- ka. Aldus op Tope-Djawa ook genoemd de kleine bddjo, of siso. Yergel. kdppong.

•m. A

✓✓ aA /^\ « (kompaniya), bep. kompani- yaya. Vergel. ons woord compagnie. Yan daar: ba- dili si-kompaniya, 24 geweren. (Madi.)

✓✓ aA (kopanja), soort van wapen, eer¬ tijds in gebruik.

✓✓ aA (kapiyalo), bep. kapiyalöwa,

zware drukking boven op het hoofd , zoodat men de oogen slechts met moeite kan opslaan (meestal ten gevolge van koorts). Kapiyalöwanga, ik heb zicare drukking boven op het hoofd. NB. Volgens sommi¬ gen te lezen: kapedloe en kapealdewangd.

** aA ^ (kappara) , bep. kapparaka , soort van metalen schenkblad , grooter dan de tdlang ;

SS aA (1° kapala), bep. kapalaya, Mal. en Jav. H hoofd , de voornaamste, bijv. : Bóne-balla ka¬ pala, voorname hof -juffers. (Madi). Vandaar: Taoe-angkapalaïyangkang, de man die als hoofd over ons staat, ons hoofd.

De kapala van eene sarong is het middelste, dus als ’t ware H hoofd van depóenjtja. (Yevg.poenjtja). Nevens de kapala ook nog wel andere strepen, en deze genoemd, ter onderscheiding van de eigenlijke kapala, de kleine kapala' 's of kapdla-tjddi’s.

De kapala! s van een pasdpoe of Makass. hoofd¬ doek zijn vier in getal, aan ieder hoek één.

Kapala datjing. Yergel. ddtjing.

(2° kapala), bep. kapalaka, dik; gebezigd van huid bijv., of van planken. Djari kapala, dik loorden , vereelten. Kapalaki kerena djoekoeka, dik zijn de moten van de visch. Kapalaki poe- roena, hij is vol met pokken. Kapala-bibere }

9

dik van lippen , diklip; dus genoemd een’ soort van viscli.

(3° kappala), bep. kappalaka, schip , ’t Mal. J

SS aA ^ (kapili), aanvallen. Boeg. idem. (GG.)

SS aA ^ (kampili), bep.: kampilika, zak van karong. (Jav. kampil.) Boeg. idem.

// aA 'v (kapoeloehg), = katoeloeng .

SS aA ^ (kapoelaga), bep.: kapoelagaya, Mal. en Jav. kardamon , Amomum Cardamomum, L.

SS aA O (kapasa), bep.: kapasaka, ’t Mal. boomwol, katoen, katoenheester , Gossypium indicum Lam. ’t Boeg. dpd, idem. Nikapasa ge¬ bezigd van de bewerking der kapasvrucht, waarbij men de karópeng met de hand er af doet.

Kapa-kapasa, 1°) de slapenvan het hoofd.

soort van struik, welks hout slechts goed is om te branden.

soort van vogel.

soort van visch , veel overeenkomst hebbende met de bête-bête, en van glinsterende schubben voorzien.

SS aA O (kappisi), slinken ; = kempesé.

SS (kapêsa), zachtjes of voorzigtig

voelen of betasten. Boeg. kapêsa.

m - A A

ss aA O (kipasa), bep.: kipasaka, ’t Mal. waaijer (Djay).

\SS\*^)\ o (kempesé), ’t Mal. kimpes, slinken; bijvoorb. Kempesé battaiïg-lompona , zijn dikke buik slinkt. Kempesé poeroekannoe , uw’ zak {uw' beurs ) slinkt.

ss~\sf O (kópasa), bep.: kopasaka, één van de vier soorten van kaarten bij het om-spel , hebbende één of meer ananas-vruchten op het prentje; gelijk staande met één der beide roode

| kleuren in het quadrille- en omberspel ; het Portu- gesche copas , harten.

SS aA O (kompasoe), bep. : kompasoe wa, (verbastering van het Hollandsche kompas), passer.

SS \ aA (kapefdoe). Yergel. kapiydlo.

SS £ (1° kaba), bep. kabaka , ondoordringbaar , moeijelijk om door heen te dringen , door heen te ko¬ men; bijvoorb.: rómang kaba, een ondoordringbaar bosch, een bosch , dat zoo digt begroeid is , dat men, er naauwelijks door kan. Kaba-idji roekoeka, het gras staat nog zoo hoog en dik, dat er geen door¬ komen aan is. (NB. Antwoord van iemand die ge¬ vraagd wordt, of men al zou kunnen jagen.)

(2° Kaba), bep. kabaka. Si-kaba, een bosje (Sirih). B. idem. NB. één bosje Sirih bestaat uit tien lónjdjó's, elk van vijf bladen, alzoo vijftig bladen.

(3°kaba), bep. kabaya, ’t Arabische zs.xS, naam van den tempel te Mekka. Yergel. Mr. S. Keijzer’s Handboek voor het Mohammed. Begt, blz. 47, Noot 1.

SS £ (kambang) , gezwel, opzwelling, opgezwol¬ len. Kambang-lólo , opzwelling van het tand-

vleesch. Ka mban ^dissi, jicht. Kambang-djené,

A

waterzucht. Kambang-dinging, opgezwollen van koude. Kambang bawahg. Yergel. bdwang. Kambang bambang, opgezwollen van hitte. Akambahg, opzwellen, zwellen, vloeijen, bijv.: pa¬ pier ; ook gebez. van een’ baarmoeder bij de be¬ valling. Garriiïg-akambahg, waterzucht. Ka- rattasa-akambahg , vloeipapier.

Kakambang, = ’t Mal. soort

van

shawl. Vergel. ’t Maleische doek die

rondom het lijf geslagen wordt.

SS £ (1° kamboe), bep. kamboewa; vnw. :

kamboengkoe, het hart, of binnenste van iets, de

2

10

kern. Mate-kamboe, gebez. van een’ kdllang of Inlandsche schrijfpen, die van linnen vergaan is. Kamboe-palapa. Vergel .paldpa, op lapa N°. 1 . Gö- gosó-kamboe. Vergel. gógosó. Makamboe-kayoe, in hout, d. i. in een’ doodkist nederliggen. (Sinr. D. M.)

Nikamboe-boelaëng , met goud gevuld, geb. van iets, dat bijv. van linnen van goud en van luiten van zilver is. Ahgamboe, indringen, (een wapen bijv.) staat tegen over: soelipa.

(2° Kamboeki oena), zijn hoofdhaar , hetzij van vreugde , hetzij van droefenis of uit verlegenheid, met de handen wrijven , en daardoor geheel in de war bren¬ gen. Men vergelijke hiermede onze phrase: met de handen in het haar zitten. Kamboeki kalênna, zijn ligchaam, hetzij van vreugde, hetzij van droefe¬ nis of uit verlegenheid , met de handen wrijven. NB. de beteekenis van dat kdmbo'e wel te onder¬ scheiden van die van kdngkang, krabben. (B. idem.)

*+ X X (1° kambe), v.n.w. 1 pers. mannl. vrl. meerv. Ikambe , = kdmbe.

(2° kambêi, mahgambêi, aannemen, grijpen, iets dat ons toegereikt wordt. (Tar.) B. idem, v. d. ie¬ mand, die, bijv. ineen gevecht, vervolgd wordt, als ’t ware aannemen, v. d. zijne zaak opnemen , hem te hulp schieten. (Madi.)

Sikambêi, elkander aannemen, bijvoorb.: Si-

t _ t _ A

kambêi kanjnjinna matanna, zijne wenkbraauwen en oog en nemen elkander aan, d. i. komen digter lij elkander ; geb. van oude menschen , wier wenk¬ braauwen door veelvuldige zorg en moeite digter tot de oogen zijn zamenge trokken. (Tam.) Vergel. Siydlle, op alle.

// X (kimbong.) Pakimbong djeneka bijv. gebez. van jongens, die, bezig zijnde met ba¬ den, het water al spelende opscheppen en in de

hoogte gooijen. (Kêlong.) Takimbong-kimbongi djeneka, het water wordt door de volte van het vat er lij het versjouwen als 7 ware uitgeschept , springt er als t ware uit. Op de vraag, waarom een jongen bij het overbrengen van een glas wijn ge¬ morst heeft, (Ngapa na-taballe ahggoroka? Hoe komt het dat de wijn gemorst {gestort ) is F) zou deze kunnen antwoorden: Takimbong-kimbongi, toe- wang, het is bij het dragen als t ware op ge schept, als het ware opgesprongen , d. i. : Het komt door de schommeling, door het verdragen.

A SM 7 J

SS X (koebang-), = ’t Arabische iLo , koepel , gewelf, verwelf sel loven een graf.

\ X (keboe), sluiten. (Bap.) Nakóboeki kidönna nagaya, de Naga heeft haar staart gesloten, de staart van de Naga is gesloten, d. i. in malkander gekronkeld. (Kap. T. Dj.)

Pakeboe, bep. pakeboeka, deur. Anrong- pakeboe, post van de deur.

\ SS x -\ (kêbó), bep. kêboka, wit, grijs. Kappo-rappo-kêbó, = rdppo kaldwasd. Verg. kald- wasd. Boenga-kêbó , witte- of melattie-bloem. Djenó-kêbó, wit water. Zoo soms genoemd de la- roeboe, dewijl daardoor de zee met schuim over¬ dekt wordt. Kêbó-póetta. Verg. pdetta. Kêbó- tarring. Verg. tarring. Kebóna mataya, het wit van het oog. Kebokang, soort van duif, kanarie- duif.

SS -\ X (komba), Sal. = lêkó, sirih.

SS "\ X (kombang). Tana-kómbang , land dat braak ligt. (Boeg. idem.) V. cl. overdragtelijk geb. van een’ ongetrouwde vrouw, of van eene we¬ duwe.

SS -\ X (kobi) eventjes met den wijsvinger aan¬ raken of aanstooten, ten einde de aandacht op

11

iemand of iets te vestigen ; bijvoorb.: Kdbi-kdbi- sai karaënga, stoot den vorst eens eventjes aan (daar ik hem gaarne apart wenschte te spreken.) Boeg. kabi.

a /

Kobi-mata, iemand met de oog en op het een of ander opmerkzaam maken ; hem bijvoorb. wenken, dat het tijd is, om heen te gaan.

Kobikang, slot, (van een geweer).

A /

Pakdbi, trekker , (van een geweer).

Pakobikang, a) het een of ander bezigen , om daarvoor met den tvijsvinger aan te raken of aan te stooten; bijv. : Toenakoe nipakóbikang, men stoot elkander aan, om de aandacht op mijne ellende te ves¬ tigen. (Sinr.)

b) Pakobikang. Verg. bissoró.

A / A

2) kóbi, bep. kdbika, soort van timmerhout.

** -\ \ X (kömbé), gebez. van het eenigzins loshangen van iets, bijv. van een touw, dat gespan¬ nen is. Boeg. mdómpeng .

// "\ £ "N (1° kömbong), zwellen, rijzen. Verg. het Mal. gumbong, zwellen. - Takómbong, ge¬ zwollen zijn; bijv. geb. van kleêren, die wijd zitten, niet aan het ligchaam sluiten. Van bloemen ge¬ bezigd, beteekent het: ontluiken.

Pakombong, doen zwellen, doen uit elkander gaan, uit elkander halen, bijv. de blaadjes eener ge¬ sloten melattie-bloem. (Sinr.)

(2° djarang pakombong), een paard, welks staart in het midden wit en overigens van andere kleur is.

// £ "N ✓✓ (kimbökang , soort van koperen handewasch-kommetje , waarvan men zich bij het

✓✓ £ "N so (Kambödja), bep. Kambodjaya, naam eener landstreek in Azië. Van daar: bakoe- bakoe- en: papanga djaïyahg Kambödja.

// -\ £ « (kobaya), bep. kobayaka, kabaai. Kobaya Bantang-, Bantamsche kabaai. Boeg. idem.

r

✓✓£«£, (kambara), bep. kambaraka, (Mal.

geeft het dubbele te kennen van menschen , huizen, garen , enz. Bijv.: Bannaiïg kambara- talloe, of: lima, drie- of vijf draads-g aren.' Balhi- kambara , twee huizen die te zamen door middel van een soort van bruggetje vereenigd zijn. Ana-kam- bara, tweelingen. Kambara êmba, lett. overspe¬ lige tweelingen, aldus genoemd een tweelingpaar, waarvan de een een jongen, de andere een meisje is. Kambara padarewaiig. Vergel. op da- rêwa.

Kambari (verg. ’t Maleische bij nood¬

weer iemand te hulp springen, lett. maken dat hij

niet meer alleen is, hem als 7 ware tot een tweeling- + paar maken. Bijv.: kambdriyd lintd, help mij

spoedig, bijv. bij het dragen van zware lasten. NB. kambari ook gebezigd, ofschoon de persoon, die hulp verlangt, niet alléén is, aangezien men ook van kombar d-tdlloe, kdmbard-dppd, enz. spreekt. Men zie slechts boven : bdnnang kombar d-tdlloe , enz.

// (kabiri), bep. kabiriya, gélubt , ont¬ mand. Mal. en Jav. idem. Bjangang kabiri, een kapoen. Mal. Lsö . NB. op Gowa

niet begrepen; daar slechts geb. djangang nipaka-

rsjA

tjómo, vet gemeste haan..

diner bedient, even als onze in Oost-Indie alge¬ meen gebruikelijke vingerglazen.

** S\ (kamböti), bep. kambotiya, een van bladeren gevlochten mandje. B. ampoti.

s* £ ^ (kambiring), = kamiring. Vergel. op biring. (Sinr. K. G.)

✓✓ £ ^ (kimbobroe), bep. kimboeroewa. Verg. ’t Mal. jaloersch. B. empoeroe, idem.

Qtt

Pakimboeroe , het jaloersch zijn , jaloerschheid. Baïnne pakimboeroe , eerie jaloersche vrouw.

// X '*\ *\ (kimboro). Djangang angim-

boröwi , een hip die voor het eerst een ei zal leggen. Baïnne angimboröwi, eertijds gebez. van een vrouw die voor het eerst zwanger is ; thans ook wel geb. van een meisje dat reeds begint te blozen bij den aanblik van een’ jongeling.

✓✓ X V (koeboeroe), bep.koAeboeroeka, ’t Arab, ^j-o, ’tmeerv. van 9raf- Pakoeboerang, begraafplaats , berkhof.

SS X *X (kabala), bep. kabalaka, ’t Maleische

i>-o, onkwetsbaar , ijzervast. Boeg. mdkabang. Pakabala, middel om ijzervast te maken.

% « A , / ^

✓✓ X *X (kabili), knijpen. Boeg. kabdtti, idem. Kabili-tanroe , bep. kabili-tanroeka , gierig.

^ A

SS X ~X (kambilo) , bep. kambilöwa, soort van doos of kist van lontarblad (jêkó-bdlló). Boeg.

si

kampilo, idem.

SS X *X (kaboeloe), stoeijen. Kaboeloe ammanoe. Allergemeenst scheldwoord, gelijk staande met ons: neuk je moer, en zeer ligtelijk aanleiding tot amok gevende.

Sikaboe-kaboeloe, met elkander stoeijen. Gebez. van coitus. Baïnne-kaboelahg , eene vrouw, die voor niets anders deugt dan voor coïtus.

ss \ X \ <*X (Kabelé), bep. Kabeleka, ’t Ara- bische JjoLs, Kain. (Bap. T. Dj.)

SS X *X kibala), bep. kibalaka, ’t Arab.

o

aXo, de hemelstreek, waar Mekka ligt, en wer- waarts de Mohammedaan zich bij zijn gebed met het aangezigt wendt. (Maoet.)

// X "\ ^X \ (1° kimbölong), iets van voren in de plooijen van zijn kleed stoppen, en daarmede bedekken. (Tar.) Y. d. o verdragtelijk: iemand koes -

/

teren, bijzonder voor hem zorgen. Akimbólongi layahg-layahga , geb. van den vlieger, wanneer het touw niet strak staat , maar met een bogt is , (als ’t ware met plooijen.)

Takimbölong, ergens toe behoor en, bijv. Samata takimbölongi ri-Gowa, Samata behoort tot Gdwa, zit als ’t ware in de plooijen van het gewaad van Gdwa. Toêwang anoe takimbölongi ri-toe-ma- lompöwa empowanna, het ambt van N. N. staat in naauw verband tot dat van den Gouverneur , is als ’t ware in de plooijen van het gewaad des Gouver¬ neurs. Dasi-dasi kitakimbólong ri-kasalamak- k tinna, welligt worden wij als het ware in de plooi¬ jen van het kleed zijns heils gewikkeld, d. i. : worden wij zijn heil deelachtig. (Tar. D. M.)

(2° kimbdlong), eertijds in gebruik, = tiydnang.

SS X ^X (koembala), bep. koembalaka, stout, ondeugend. Kakoemba-koembalanna-mi, hij is al op den leeftijd, dat de kinderen gewoonlijk een beetje ondeugend worden; hij begint al een beetje ondeugend te worden.

SS X (kaboewarrahg). Vergel. op bóe-

ward.

SS X O (kaboesoe), iets geheel zijn. Verg.

V

’t Mal. Bijv.:

Iya nakaboesoeki pano, hij is geheel en al met vlekken. Iya nakaboesoeki poAeroe, hij is geheel en al met pokken. Sikête-kête-dji na-mahgaboesoe nibööng, (het stuk stof) is weinig slechts, doch het is genoeg, om mij geheel mee te omsluijeren. (Sinr.) Ngalle-kaboesoe, iemand of iets geheel en al ne¬ men, geheel en al tot zijn eigendom maken ; v. d. iemand tot slaaf maken; v. d. : iets verbeurd ver¬ klaren ; v. d. de volle waarde van personen of zaken doen betalen ; v. d. iemand iets geheel en al ontne-

13

men, d. i. zonder hem eenige schadevergoeding te geven. (Rap. en Ini. Wetboek.)

** £ O (kamboAessoeloe) , bep. kamboAes- soeloeka, huil, v. d. alles wat uitsteekt; v. d. kleine hoogte van den grond , (kleiner dan bdetoeng.) Kamboessoeloe-ngaseng kalênna , zijn ligchaam is geheel met bultjes overdekt.

** (1° karna), bep. kamaka, ’t Arabische

ióolï (Godsd.), de verheffing bij het gebed .

(2° kamma), bep. kammaya; vnw. kammang- koe, wijze, v. d. kamma-anne, kamma-minne , kamma-monne, op deze wijze, d. i. alzoo. Mal.

. Kamma-antoe, kamma-anjdjo , kamma- mintoe, kamma-möntoe , kamma-minjdjo, kam- ma-mönjdjo, op die wijze, d. i. aldus. Mal. o Kamma-tódong-anjdjo , insgelijks op die wijze , v. d. insgelijks aldus. Kammaya-mami-anjdjo, zoo slechts (pp die wijze slechts), zoo voorts, zoo verder , verder. Kammaya-töng-anjdjo pole, zoo ook verder. Ri-allo kammaya-anjdjo, op den zoo¬ danig en , d. i. zooveelsten dag. (Tar.)

V. d. kamma en kammaya, zonder bijvoeging van dnne of dnjdjo, of andere dergelijke voornaam¬ woorden, aldus of alzoo; bijv.: taëna taoe, kamma matoewana, er is niemand, wiens geluk zoodanig (zoo groot) is. (Djay.) Kamma kananna ahalon- noedjoenga, aldus was het woord der sterrewigche- laars. (Djay.) Kamma-idji pakananna, na-niya- mo battoe Iyanoe, aldus was nog zijn spreken, zie! daar kwam NN., d. i. terwijl hij nog aan het spre¬ ken was, kwam NN. (Madi; Djay.) Kammai , het is zoo. Kamma tödong, insgelijks zoo. Kamma tönjdji, het is immers insgelijks zoo, v. d. is het insgelijks zoo? Barang kamma, wettigt zoo. Kamma-idji alepana (kilaka), na-la,njnja-

mo, zoo is t , nog likt, (d. i. raakt, of gaat ergens langs) de bliksem , en reeds is hij weder verdwenen , d. i. zoodra de bliksem treft, is hij ook loeder ver¬ dwenen. Kamma-pinne, na-koebattoe, wanneer

/

het zóó is, kom ik. _ Akana ta-kamma, iets zeg¬

gen, dat niet zoo is, d. i. onwaarheid spreken. Manna oembarang ta-kammaki-anne , al xcaren wij ook niet zoodanig, d. i. in zoodanige, of gelijke om¬ standigheden. Taoe kammaya, de zoodanige men- schen, d. i. de menschen, zooals zij zijn; v. d. ikat- tënne taoe kammaya, zoodanige menschen als wij zijn. (NB. dit is in den mond van een’ Inlander, zoo veel als: wij Inlanders; en in den mond van een Europeaan, zoo veel als: wij Europeanen.

A A

(Brief.) Na-erdnoe-dja kamma alari-lino, ala ri-

A

Ahera, uw wil geschiede! (letterl. zij aldus !) zoowel op aarde, als in den Hemel. Kammaya tömpa- pöle, zoo ook verder. Kamma-kamma, aldus, niet zoo als het stellig is, maar zooals het ons voorkomt, of toeschijnt, v. d. waarschijnlijk. NB. deze wijzi¬ ging in de oorspronkelijke beteekenis van het woord wordt in het Makassaarsch meermalen door deszelfs verdubbeling aangeduid. Yergel. mijne Mak. Spraakk. § 46, lett. a, en § 72, lctt. b. Kamma-mami. Yergel. rndrni op ma N°. 1.

Ka-kamma, lett. icare het aldus. Vergel. op ka N°. 2 , lett. c. Bijv. : Ka-kamma na-niya koel- leyanna , ta-koepabeyahga-mi alampa Djayalang- kara, zoo het aldus ware, dat er mogelijkheid op bestond, zou ik I) jdyalan gkara niet laten gaan. (Djay.) Ka-kamma-dji ta-niyalle, matei, ware hei maar eens aldus, dat ( het kind) er niet uitgehaald was, d. i. ware het kind er niet uitgehaald, zoo zon het dood zijn. (Rap.)

Kamma-dji wordt insgelijks in de beteekenis

van ka-kamma-dji gebezigd, bijv.: Kamma-dji ta-mate, koesdero allêyang Itdfewang, het is immers zoo , (d. i. Is het niet zoo?') het (i paard) is niet dood , d. i. Is het niet zoo? wanneer men eens aanneemt , dat het {paard) niet dood ware, d. i. ware het (paard) maar niet dood; zoo zou ik het voor mijn¬ heer laten halen. (Brief.) Kamma-dji ta-niya toe-malompowa iraya maë; ware de Gouverneur maar niet hier in het oosten , te weten : in het ten oosten van Makassar gelegen Gówa. (Brief.)

Barang-kamma-djiyapa, en: barang-kammaiya- pa, gebezigd om een wensch te kennen te geven, bijv.: barang-kamma-djiyapa kisitjini pole, mogen wij elkander weder zien! (Bid.) lett. hoedanig iets, of wat voor iets gebeurt er wettigt nog? Dat wij elkander wederzien. Barang-kamma-djiyapa ki- liba nipasitjini ! 5 Mogen wij spoedig lij elkander ge - bragt worden, d. i. elkander spoedig ontmoeten! (Bid.) Barang-kamma-djiyapa kisalama ri-gar- rmta, ki-nalaboewiyang oemoeroeta Allataala! Moogt gij herstellen van uwe ziekte en moge God uw leven verlengen! Barang-kamma-djiyapa na-naï empowanta! Moogt gij rijzen in rang, tot hoog ere betrekkingen geroepen worden! NB. op dezen wensch Avordt doorgaans geantwoord : Dasi-dasi , lett. welligt. Dit bevestigt alzoo de boven aange¬ geven letterlijke beteekenis der phrase: barang- kamma-djiyapa. Men vertale alzoo woordelijk : Wat voor iets zal er welligt gebeuren? dat uw rang rijst , d. i. loelligt zal uw rang rijzen; en zeer goed past dan hierop het antwoord: ja, welligt, (dasi- dasi). Barang-kamma-djiyapa, na-niya tódohg kipalalangi, atanna Alia taiila; mogen wij ook be¬ scherming vinden bij hem , wij , die de dienaren zijn van Allah. (Tar. D. M.)

Takamma = ’t Mal. lett. in zooda-

nigen toestand gebragt, v. d. zoo. (Bid.) Vergel. mijne Makass. Spraakkunst, § 177.

Kdmma en kammdya zijn in het Hollandsch dikwijls met ons gelijk te vertalen , ofschoon de letterlijke beteekenis die van zoo of aldus blijft; bijvoorb. : Taëna anoe kamma soesa-pamaïna Iyanoe, er is niets gelijk aan het hartzeer van NN.; lett. het hartzeer van NN. , er is niets, dat aldus is. (Djay.) Niyapamatêiriyabanna kamma bohlahg sampoelo-angappa tjayana, er was een teeken op zijn voorhoofd met eer? glans, als van de maan op den 14du“ der maand; lett. een glans van de maan op den 1 4doi‘ der maand , aldus was het teeken, enz. (Djay.) Ta-kamma riyolöwahga djaïna, niet zoo veel als te voren ; lett. het vroegere , niet zoo, of aldus, was de menigte er van. Ta-kammanna, of ta-kamma-kammanna, (verg. het Mal. L-A-óyiUu), het ongelijke van iets, hetgeen ergens niet bij behoort, v. d. iets onbehoorlijks, in zedelij- ken zin, d. i. iets onbetamelijks-, v. d. ook: al dal- geen tcat ’s menschen geluk verstoort , als : ongeluk , rampspoed, enz., bijv.: ónjdjohgi ta-kamma-kam- manna, des te grooter is zijne zonde of schuld. (Brief.) Barang niya ta-kammanna, welligt heeft hem eenig ongeluk getroffen. (Madi en Bidas.) Ngêrahg ri-ta-kammaya, in ongelegenheid brengen.

f

(Kei.) Alama riyoebohnna kammaya mata-allo , het teeken op de kruin van zijn hoofd gelijk eene zon ; lett. eer? zon, aldus was het teeken, enz. (Djay.)

Kammdya in het Hollandsch ook soms te ver¬ talen met: gelijk ook, alsmede, bijv.: Sikamma

A A # a

baïnne mantariya, siyagang bainnênna toe-mabi- tjaraya, kammaya bainnênna soedagaraka, al de vrouwen der maniris , benevens de vrouicen der

raadsheeren , gelijk ook de vrouwen der koop¬ lieden, lett. zoo ook de vrouwen der kooplieden. (Djay. Rap.)

Kammdya en kammdya-mi soms in liet Hol- landsch te vertalen met: ah: , te weten-., dat is.-, en dergel. meer: bijv. poehggawa talloewa , kam¬ maya : karaëng Bontopano, karaëng Mamampahg, karaëng Pasi, de drie poenggdwa's, als: (te weten:) lett. aldus, of alzoo: karaëng Bontopano, karaëng Mamdmpang , karaëng Pdsi. (Rap.) Na-noesare- lalokahg anne-kamma dallé madjai, kammaya-mi: kadó allo-allömang, geef ons heden veel leeftogt, als ; (dat is: of te weten:) lett. aldus-., of alzoo: onze dagelijksche rijst.

Kammdya, even als het Mal. soms

geb. in het begin van een zin, en alsdan best over te zetten met ons: wat betreft, bijv. kammaya toe- mangempöwauga , wat betreft de in pand gegeven personen. (Rap.) Kammaya toewahgkatoewówaï Iyanoe; wat betreft degenen , die zorgenvoor NN. (Rap.)

A

Anne-kamma, kamma-kamma, kamma-kamma anne, anne-ri-kamma-kammaya, in deze of de te¬ genwoordige wijze van bestaan , d. i. op den tegen- woordigen tijd, d. i. tegenwoordig , thans. Sang- gênna kamma-kamma, tot nu toe.

Sakamma-kammana, = satohnggoe-toehggoena, voortdurend , altoos; lett. terwijl het tegelijkertijd voortdurend zoo was. Yergel. Mak. Spraakk. § 209.

Kammdya, soms de manier van bestaan zelve, d. i. de zonder hulp van anderen bestaande , de mag- tige, bijv.: kaminang kammaya, de Almagtige, d. i. God. Alla-taala kammaya, lett. God is de magtige ; v. d. ik laat het geheel aan Allah's beschikking over. Na-anjdjo kanahgkoe , toc-ma-

lompowa kammaya, zoo is mijne meening, maar de Gouverneur is de magtige, d. i. de Gouverneur moet het weten, of: ik laat het aan zijne beslissing over, of : ik dien mij aan zijne uitspraak te ondencerpen. (Brief.) Na-anjdjo kanahgkoe, ikatte kammaya, Zoo is mijne meening, maar gij zijt de magtige, d. i. ik moet de zaak geheel aan U overlaten.

Ahgkammai, raagt hebben, heer schen over, v. d. : bezitten. Taoe ahgkammayai, of : augkammaïyai, de magtigen, de menschen, die de viagt , het bewind , in handen hebben. Kamma-tödjehg , icaarheid , lett. : ware wijze van bestaan. Yergel. op tod j eng.

Ana si-kamma-kamma, lett. kind, één wijze of soort geheel op zich zelf genomen , v. d. een eenig kind; = dna si-tdoe-tdoe. Niya-idji aganna an¬ ne? Si-kamma-kammanna-mami, is er nog meer van? Neen, dit is het eenig e. Vergel. mijne Makass. Spraakk. § 46 , lett. e.

Pakamma, aldus doen zijn, doen blijven, aldus maken, of doen, aldus uitiv erken ; bijv.: pakamma- sa-mintoe riyölo , laat die zaak nu vooreerst maar zoo. Bedoeling : later zal ik die wel af doen. (Brief). NB. Deze zelfde phrase wordt ook gebezigd, om op beleefde wijze een ons aangeboden geschenk te weigeren , letterlijk : laat het nu vooreerst maar zoo blijven, te weten: zonder geschenk. Pakamma- sa-minjdjo riyólo amantahg irawahgaug parentana pêtoró-Maroesoe, laat het land vooreerst maar zoo blijven, onder het bestuur van den Assistent-Resident van Maros. (Brief.) Lari-mi taoewa , na-pa- kamma malla, de man is weggeloopen, aldus heeft vreeze hem doen handelen, d. i. hij is van vrees weggeloopen. Na-ta-tinro , ta-kanre tommo napi-

A

sarihgi tefewang-poetiri , na-pakamma soesana , anjtjiniki mahggêna, en de vorstin had geen' lust

16

tot slapen, noch eten meer; en icat haar zoo deed zijn, was de hommer bij den aanblik haars vaders. (Djay.)

Na-anjdjo sanggenna, napalolokiya nagaya, iidjari kaloró-hgasengi, na-pakamma lompöna na¬ gaya, en overal, waar de naga langs ging, werd al¬ les beek, de grootte van den naga deed dit aldus zijn, d. i. het werd alles beek ten gevolge van de grootte van den naga. (Djay.)

Singkamma, lett. van één wijze , v. d. gelijk; = Sangkdmma.

Sikamma, a) gelijk; bijv.: Sikamma anjdjo, sikamma antoe, sikamma minjdjo, sikamma min¬ toe, sikamma mónjdjo, sikamma möntoe, gelijk dat , v, d. aldus. Sikamma anne, sikamma minne, sikamma mönne, gelijk dit, van daar: alzoo.

b) aldus, alzoo, bijv. sikamma lompóna, zoo¬ danig was zijne grootte. (Djay.) Sikammai se- iïganne, (of: sengantoe,) kanangkoe, alzoo, (of: aldus,) is wederom dit, (of: dat,) mijn woord. NB. dit is liet gewone slot der brieven; wij zouden zeggen : en hiermede eindig ik; of, dit is het ivat ik u te zeggen had. Sikamma sallóna battoewi-seiig Kompaniya Balanda, na verloop van zekeren tijd , lett. zoo en zoo lang daarna , kwam wederom de Hol- landsche Compagnie. (Brief.) Sikamma-tchig sila- lönna, lett. zoo aanstonds ook, d. i. oogenblikkelijk. Verg. sïlalónna, op: lalo. Ri-sikammanna anne boelanga, op den zooveelsten van deze maand. (Tar.)

Na-pönna paleng ta-nasarêya toe-malompöwa sikamma, siyapa-siyapa pangamaseyanna, en in¬ dien de Gouverneur zoo veel stuks niet kan missen , dan zoo veel als zijne barmhartigheid maar geven

_ , A

wil. (Brief.) Sikamma-pi pöle djaïna, nog eens zoo veel, lett. nog eens aldus. Sikamma-mi, let-

terl. : het is nu zoo , (en daar moet het thans maar bij blijven), d. i. het is genoeg. Sikamma tömma- kontoe atjini badji, gij hebt thans ook genoeg zegen genoten, d. i. van dit oogenblik af, zult gij geen ze¬ gen meer ondervinden. Sikamma töhg-mintoe battoekoe ri-ballanoe, dat is ook genoeg, mijn komen tot uw huis , d. i. ik kom voortaan niet meer bij u aan huis. Sikamma tömmakontoe adjari taoe (= atjini badji. Vergel. op: taoe), gij hebt thans ook genoeg zegen ondervonden, d. i.: voortaan zult gij geen zegen meer ondervinden. Pasikammaya, het voor genoeg houden, v. d. de tevredenheid.

c) Sikamma, lett. zoo te zamen ; v. d. al, allen, bijv. sikamma taoewa , al de menschen.

Sangkamma, lett. van één wijze, v. d. gelijk. (Verg.: sikamma lett. a en singkamma .) Bijv.:

A

baïnne ta-sangkammannaya, de vrouw die niet zijns gelijke , maar van minder afkomst is. (Rap.) Ana ta-sangkammanna , iemands kinderen , bij eene vrouw van minder afkomst. Roewa sahgkamma- kamma , twee tegelijk.

Sangkammangi, gelijk zijn aan iemand , hem evenaren, bijv.: anjdjo toewahga, taëna nasaiig- kammangi manggêna, die heer lijkent niet op, evenaart niet zijn vader. (Djay.)

Antekamma, op welke wijze? hoe? hoedanig?

Vergel. het Saleyeresche dnte-kamoewa , hetwelk

\

dezelfde beteekenis heeft, alsmede het Sal. ante- mdë en rinte-mdë, die beide gelijk staan met het Makassaarsche kêre-mde. Kadé inakke; ante- sai-sêdeng-kamma, zoo ik eens in uw geval ware, dan zoudt gij eens wat anders zien , lett. (dan zoudt gij) eens (zien) hoe ik te icerk ging. (Madi.)

A

Ante-arc-kamma, ik iceet niet, hoe? d. i. op welke wijze dan ook. Antekamma niyaka nisoerokana

17

arme ri-Rapanga, letterl. hoedanig is, hetgeen ver¬ meld staat in dezen Rdpang, d. i. zooals vermeld

A

staat in dezen Rdpang. (Inl. Wetb.) Léba-mi

/

koesoero pakamma palloenna, antekamma kipaka- naya, ik heb zoo laten koken als gij gezegd, hebt. (Brief.) Taëna lömpo antekamma , niet bijzonder groot. Ta-ante-doedoewai-kamma ranndenta, lett. onze vreugde , hoe zou het anders kunnen zijn? is niet bijzonder groot, d. i. is natuurlijk niet bij¬ zonder groot. (Rap. K. G.) . Ri-antêna-kamma , of ri-anteyanna kamma, lett. op het hoe van de wijzen , d. i. op hoedanige wijze, hoe; bijvoorb.: ri-

antêna kamma, of: ri-anteyanna kamma, na-kikana,

.. /

koekaloepaiki ; hoe kunt gij zeggen, dat ik u vergeet?

Kammana, kamma, bijvoorb.: kamman a- anjdjo, = kdmma-dnjdjo , aldus. (Djay.) Kam- mana-mönjdjo, = kdmma-mónjdjo , aldus. (Djay.) Lanri (of: ri) - kammana-minjdjo, of: mönjdjo, wegens het aldus zijn, omdat het aldus is, d. i. des¬ wegens, om die reden.

Kammoewa, Toer. dialect = kamma, gelijk,

/

bijv.: kammoewa-mami kalli, gelijk eene omheining.

✓✓ \S (kammi), hoeden, bewaken; bijv.: na- kammiki Sêtang, lett. een Satan hoedt, v. d. bezielt hem.

Pakammi, bep. pakammika, hoeder, bewaker. (Djay.) Pakammi-djêra, graf wachter.

** \S (kammoe), bep. kammoewa ,warm. Boeg.

si

makammoe, idem. Kammoe-kammoe , laauw. Kayoe-kammoe, soort van hout met geurige bast, Sassafras, Parthenoxglon N. v. E. ?

SS \S (kamo), iets af vegen, of af droegen , door er eventjes met een’ doek op te drukken , =

si

kamma. Boeg. idem.

// \s (koe ma). Koema-koema, bep. koema- koemaya, soort van welriekend hout. Verg. het Mal. LXX het Jav. ihm (En \ , Sanskr. koengkoema. Saffraan.

s* \S (koemang), mot. Boeg. idem.

\ ✓✓ V (kêmoehg), a) zich sluiten, tot malkan¬ der kom, en, bijv. ’t water, waar een vaartuig door heen gevaren is.

b) zich doen sluiten , tot malkander doen komen , bijvoorbeeld: de lippen.

Pakêmoehg, zich doen sluiten, tot malkander doen komen.

Pasikêmoehg, idem, doch meer gebezigd van twee voorwerpen, die geheel en al van elkander gescheiden zijn, bijv. twee stukken van een’ tafel.

\ ✓✓ ''VN (kemó). ïAnrong-kémökang, zoog¬ ster. (Djay.) Saribattang-kémökang, zoogbroeder . NB. Men vindt ook kémókang = saribdttang-ke- mókang. (G. G.)

S* \S \s (kammoemmoe) , bep. kammoem- moeka, paarsch, purperkleurig. Boeg. idem. Kammoemmoe-mi , lett. hij ziet reeds paarsch in zijn gezigt , d. i. hij heeft te diep in het glaasje ge¬ keken. Verg. êdja. Nikammoemmoe , paarsch g evened of gekleurd ivorden.

SS \S \S ^ (kamamaUang) , obstructie, ver¬ stopping in den onderbuik.

// \s o (koemimisi ,) een zeker geluid met de lippen maken, ten teeken dat men verdriet

st

/ /

heeft. Boeg. mdkoemimi.

SS w \ \ ^ (koemêteré) , bep. koemc-

tereka, Gecommitteerden. (Rap. K. G.)

A

(kamoedi) , bep. kamoediya, Mal. roer. Vergel. g deling.

SS \s /L (kammana). Vergel. kamma N°. 2 .

3

18

✓✓ \S y^s (kaminang) , geb. om den overtref- fenden trap uit te drukken, bijv. kaminang-lómpo,

A

zeer groot, grootst. Kaminang-kamma, de Almag- tige , d. i. God. Vergel. op kdmma N°. 2.

✓✓ \S y^ kamoening), soort van boom, welks hout voor meubels en voor kris-scheeden gebezigd wordt, Aurantiacea (glycosmis). Soms vervaardigt men ook van den wortel van dezen boom de ba- lêmbeng en pangoeloe-sélé .

SS \S S£- kamanjnjang), benzoin. Boeg. idem. Mal.

Ook naam eener negory bij Maros. Verg. ka- minjnjang.

SS \S (kaminjnjang) , = ’t Mal.

benzoin. (Sinr.) == kamanjnjang .

SS \S « (kammayang), verzakking en ver¬ harding van de nier of lever, gepaard met koude koorts , bekend onder den naam van koek.

SS \ \S «' <5\ (kammeyara). Anging-kam- meyara, wind, die niet vergezeld gaat van regen.

SS '^S (kamanra). Vergel. op mdnra.

SS^S\^ kamanre), bep. kamanrêya, boom welks wortels geb. worden als geneesmiddel, en bij het maken van doepa, genaamd: Callecarpa. Sp.

ss \s ^ (kamiring). Vergel. hiring.

SS \S V (kamoeroe), bep. kamoeroewa, vnw. kamoeroehgkoe , kamoeroenta, kamoeroenna, neus.

A ^

Kalibohg-kamoeroe , neusgaten. Appa-ka- moAeroe , neustop. Batahg-kamoeroe , neusbeen.

SS \S (kamfilo), bep. kamalöwa, (Boeg.

idem), soort van heester, welks harst als roodach¬ tige klomp uit China wordt aangevoerd , en waarop men warm water gooit , ten einde het aftreksel te bezigen tot het rood verwen van zijden stoffen. Het drabbige, dat aldus overblijft, en tdï-kamdlo

heet, wordt door de goudsmeden gebruikt, om vormen van te kneden. Ook bezigt men deze tdï- kamdlo, om het staal of ijzer van messen, parang’s, en dergelijke meer, in het gevest vast te maken.

Nikamalo, met kamdlo rood geverled worden.

✓✓ \y *5- (kóemili), bep. koemilika, taai.

\ SS \s ^ (kêmala), bep. kêmalaka, ver- knoeijing van ons kaaiman.

SS \s \ S\ (kamaleti) , bep. kamaletiya , soort van geweer, eertijds in gebruik. (Rap. G. G.)

✓✓ \S (kammoewa). Vergel. kdmma.

SS \s O (kamasa), = kdmo.

SS \s O (kamisi), bep. kamisika, Arab. Don¬ derdag. Boeg. idem. ’t Mal.

Nikamisiki djoekoeka. Dit ziet op eene bepa¬ ling in Sêgeri en aangrenzende distrikten, volgens

A

welke alle visch , die des donderdag’s in de bila’s (of sêro’s) aan strand gevangen wordt, van het eerste ploegen af tot aan het paddie-stampen toe , den regent van het distrikt toekomt.

SS s \ (1° kata). Vergel. op ka N°. 2, lett. c.

si

(2° katta), bep. kattaka, kanker. B. katta, idem. Katta ipantara, uitwendige kanker. Katta ilalang, inwendige kanker.

ss s\ (l°kattang), ’t Mal.jJcT, schaaf. Boeg. idem.

Akattahg boenga , de pandangbladen met de pa- kerêkang niet fijn snijden, maar schaven. Vergel. op Hré N°. 1.

Nikattang, eigenl. af geschaafd worden , en v. d. geb. van de besnijdenis der vrouiven , dewijl daarbij slechts zulk een klein gedeelte van het pudendum wordt weggenomen, dat het meer een af schaven dan een afsnijden is. NB. Voor het besnijden van mannen bezigt men: nisöennd. Vergel. soennd N°. 1.

19

(2° kattang), soort van vrouwen-siriedoos. Verg. lópa-lópd. Kattang-nisingkoelöé. Deze kdttang verschilt slechts hierin van een’ gewone kattang , dat de hoeken ( 'singkoeloe ) met goud belegd zijn.

m A

(1° kati),bep. katiya, geeft eene gelds¬ waarde te kennen. Eén kdti = 10 tdï, = 80 reaal. (Eap.) B. idem.

Pönto-kati, soort van armband. Vergel. op pónto.

(2° kati), het Jav. >(?n a~i , honderd duizend. Boeg. en Mal. idem. Yergel. het Skr. kdti, tien millioen.

(3° katti), bep. kattiya, het Mal. soort

van gewigt, = |- Amsterd. pond. Boeg. katti, idem.

Baloekangi akatti, bij het katti verkoopen.

(4°. katti-katti), bep. katti-kattiya , soort van insekt, veel overeenkomst hebbende met bijen en wespen. B. idem. Adjalló-katti-katti, lett. amok maken als een zwerm katti-katti s. Bijv. gebezigd vaneen’ hoop soldaten, die zich, in den strijd, met de grpotste woede verdedigt, en alles om zich nederlegt.

Katti-moemmóe , soort van hommel.

** S\ (1° katóe), akatóe-katoe, veel praten, snappen, zaniken , pruttelen. (Bid.)

(2° apikatoe), zenden. Boeg. mdidedtoe , idem.

PikatoAewi, zenden aan; bijv. barang akoellei napikatoewi soera pêtoró Töpe-Djawa , wettigt kan hij een brief zenden aan den Gezaghebber van Tdpe- Djdwa. (Brief.) Na-koepikatoewi lontara Pe- toró Maroesoe, ik zend een’ brief aan den Adsistent- Resident van Maros. (Brief.) Koenjdjoeng koe- pikatoewiki anne soeraka, ik wil u zenden dezen brief. (Brief.)

t A /

Pikatoewiyang, zenden aan, bijv.: Na-kipika-

toewiyang-lalowa , zend het mij toch. Taoe nipi-

A

katoewiyangai Iyanoe, de slaven , die NN. toege¬ zonden zijn.

Papikatoe, vnw. papikatoehgkoe, doch liever: papikatoekoe, zending , commissie, bootschap, ge¬ schenk, (Djay.) ic ar en die men iemand toe zendt om mee te handelen, commissieg cederen (Rap.)

PapikatoAewang ri, iets ten geschenke zenden aan. (Brief.)

Papikatoewi , laten overbrengen aan , bijv.: Toe- nipapikatoewiya, zij die gebezigd worden om iets over te brengen , bijv.: goederen. (Rap). Taoe na- papikatoewiya soAera toebitjaraya-boetta , de man, wien de bitjdra-boetta bezigt, om een hief te zenden. (Brief.)

(3° katoe-pêpe). Yergel. op: toetoe N°. 1.

(4° katoemamaï). Yergel. op: toetoe N°. 1.

✓✓ \ s\ (1° katte), bep. katteka, = ’t Arab.

, prediker.

(2° katte), of: ikatte, vnw. 2 pers. mann. en vrouw. enk. en meerv., gebezigd tegen meerderen in jaren of stand, of ook tegen gelijken, welke men slechts weinig kent. Verg. mijne Mak. Spraakk. § 146.

(3° katte), of: ikatte, vnw. 1 pers. mann. en vrouw, meerv. xoij. Vergel. mijne Makass. Spraakk. § 153.

// \ ✓N (kateng). Sikatehg-kateiïg, = si- kdtong-kdtong . (Dat. Moes.) Verg. kdiong N°. 1.

(1° katto), maaijen, snijden, af¬ snijden.

Pakatto , bep. pakattöwa, mesje om de paddie te snijden.

Pakatto-katto , iemand die van onder , de vloer van het huis openbreekt, om zoo bij de geliefde ie

kunnen komen en kaar tot zijn wil te brengen. NB. Gewoonlijk bedient zoo iemand zich van eene pinang -schaar, ( kalakdtti ), dewijl hij daarmede de bindsels los kan knippen en alzoo minder ge¬ raas behoeft te maken.

Pakattowahg , oogst, oogsttijd; bijvoorb.: tal- loeng-mi pakattowang oemoeroena, hij is reeds drie oogsttijden oud, d. i. twee j aar oud, (= tdlloeng- mi bard. Verg. bard N°. 5.)

Kdtto wordt ook gebezigd in de beteekenis van a f gesneden , afgebroken worden ; bijv.: lakatto-mi njawana, zijn leven zal zoo aanstonds af gesneden worden, d. i. hij ligt op sterven. Pakattöwi-njfuva, emands levensdraad afsnijden.

Pangattowi, datgeen wat de vrouw, in geval van scheiding , den man moet aanbieden, als ’t ware tot afsnijding van den huwelijksband. Vergel. lêkó-pa- panika, op: nika. Asare pangattowi, een pang at- tówi geven.

(2° kattó-kattó), bep. katto-kattoka. Dus ge¬ noemd de kleine gongs, waarbij de padjógé’s, of

A A

publieke dansmeiden, dansen. Boeg. kattó-kattó.

SS S\ *\ (1° katong). Sikatong-katong, te¬ gen elkander aanklotsen, aanslaan. Geb. van de ra’s van een vaartuig. (Dat. Moes.)

(2° kattong), ducaton.

m A

✓✓ S\ (1° kita), geen Macass. maar Maleisch, , wij. (Tar.)

(2° kitta), bep. kittaka, ’t Arab. ljLjCH , de Bijbel, de Koran.

wijfje. Kiti-balang, kraal- of wilde eend. Kiti-balla, huis- of tamme eend. Kiti-maradjala,

A / '

kleine soort van eend. Kiti-êdja, roode eend, iets grooter dan de kiti-maradjala. Kiti-mara- baka, grootste soort van eend.

A / A / AS A t

(2 kiti-kiti), bep. kiti-kitika, soort van medi- cinaal plantje.

// s\ (koAetahg), borstrok , keurslijf, (Mal. en Sd. idem, Jav. trj.wmnsns').

SS S\ (1°. koetoe), bep. koetoewa), luis. Mal. idem, Boeg. oetoe. KoAetoe-köhgkong, vloo. Mal. r5'/ AkoAetoe, luizen, luizen vangen.

(2° kohttoe, bep. koettoewa, traag , lui. Boeg. idem.

\SSS\ (kêntoe), met de knieën naar binnen en het onderste der beenen naar buiten gebogen loopen.

\ SS \ s\ (kête), = kade N°, 3 , weinig. Sikête = sikdde. (Sinr.)

\ SS S\ 'N (kêntohg). Maken to hg , reeds half verdord, verdroogd, verrot of dood zijn en daar¬ door op het punt van te vallen. (Tar.)

SS"\S\ (1° kota), bep. kotaya, kaauwsel, pruimpje, te weten van sirih. (Madi.) Kötai, iets kaauiven, ( sirih bijv.) Boeg.: óta, móta, kaamcen. Si-kotang, één pruimpje. Kota (ngöta) po- lêang, herkaauwen, sirih bijv.

Paköta, doen, of laten kaauwen, bijv.: Apaköta bêrasa, rijst laten kaauwen. NB. Dit geschiedt door den waarzegger, of den Sanro, tot ontdek¬ king van den schuldige.

A

(3° pakitta,), Boeg. iemand in ”t spel wat voor¬ geven.

% « A / A A /

SS S\ (1° kiti), bep. kitika, eend. Boeg. iti. Kiti mana djangahg. Verg. djangang. Kiti- laki , het mannetje van de eend. Kiti-gana , het

Pikotai, iemand te kaauwen geven. (Kei.)

(2°. kota), bep. kotaya, eene bevestigde plaats , vesting, kasteel, hoofdplaats. Mal. en Jav. idem. Kota, dikwijls het Port bij uitnemendheid, d. i. : het fort Botterdam, gelijk bénteng tdmja, het

21

fort Vredenburg. Ilalang kotana, geb. van alles, wat linnen het eigenlijk territoor van een land gele¬ gen is, van daar bij Tam. : na-koekana-mo: oem- mana Moehamma, toe-ilalang-kotana-tönga, ik lehoor tot de Sekte van Mohammed, en ben nog wel afkomstig uit den eigenlijken zetel van het Islamisme. NB. hij was een inwoner van Medina.

✓✓ "\ S\ (1° konta), bep. kontaya. (B. idem.)

Könta-bisêyang, = langga biséyang. Verg. op re'pé N°. 2.

Pakönta, iemand die konta’ s maakt.

(2° konta), bep. kontaya, half-gaar, bijv. geb. van rijst , van vleesch, van gebak, enz., bijv.: köntai kanrêya, de rijst is half-gaar.

SS -\ S\ (köntoe), = kdmma N°. 2. Verg. boven. Bijv. köntoe-minjdjo, of kóntoe-mintoe , aldus, dus. (Bap.) Kontoe-minne, alzoo, zoo. Köntoe, aldus, alzoo, zoo, bijv.: Köntoe-iigasênta, zoo zijn wij allen. (Kei.) Köntoe, gelijk. (Sinr.)

Konto'fewa, = kammdya,wat betreft, enz., (Bap.)

Ka-köntoe, ka-kdmma, ware het aldus; bijv. : Ka-köntoe-dja dj angang-dj angang , ware ik slechts een vogel. (Tar.) Kontocnna , lett. zoo zij het, v. d. laat het, enz., bijv., konto'bnna ta-djari, laat het niet gebeuren. Pönna bêlla-kamma padjonganga, kontoengkoe têya lampa, indien de jagtplaats zoo ver is, laat mij dan niet gaan. KontoAenna si- tjöba-tjöbaki, laat ons elkander op de proef stellen, d. i. elkanders krachten beproeven; d. i. zien, icie de sterkste van ons is. (Djay. en Dat. Moes.)

Anne-kontoe, = dnne-kdmma, = kdmma-kdm- ma-dnne, thans, tegenwoordig. (G. G.)

Anne-mönne-köntoe, dmte-mi-kdmma. (Bö- yong.

Siköntoe, = sikdmma, al, alle.

Paköutoc , zoo doen zijn , zoo maken, zoo doen , v. d. maken, veroorzaken. (Sinr. Madi.)

SS ~\\S\ (köté) , kakelen. Geb. van kippen.

o > >

Mal. {jpjS, Boeg. kotó.

Köté-kóté, overdragtelijk geb. van veelviddig praten , zooals wij ook soms ons woord kakelen gebruiken. (Bid.)

// 'N \ S\ (könteng), ’t Mal. koenting, zijnde volgens Boorda v. E. “de grootste soort van schuit met een schuinsch zeil of layartandja. (Tar.)

SS S\ "\ (köttó). Taköttó = tdboetto'e, = dsdnrd, = tasdnrd.

SS s\ SS (katahgka), bep. katangkaya , naam eener soort van boom. (Bap. K. G.) Boeg. atdkka V. d. naï-katangka, lett. even statig als een katdiig- kaboom opklimmen, naar boven gaan. (Madi.)

% A s*

SS S\ SS (koetika), = kotika.

SS s\ ss (kotika), bep. kotikaya, = ’tMal. vil Aldus door den Inlander genoemd alles, hetzij geschrift, of tabel, of figuur, of wat het ook wezen moge, waaruit hij zien kan, welke tijd hem gunstig is, welke niet. Zoo heeft hij bijv. een ko- iika Djdhoró, die hem leert, v/anneer hij uit of t’huis moet varen, om gelukkig tegen de roovers te zijn. Zoo heeft hij een kotika Pdtima, (NB. Hierbij te denken aan Eatimah , de dochter van Mohammed!) om te zien, of de persoon, welke hij ontmoet, op dat tijdstip goed of kwalijk gezind is. Zoo heeft hij nog verscheidene andere kotika’ s.

+S S\'/tf> «v (katagiyang), soort van ziekte van iemand, die lang en sterk opium geschoven heeft, en zulks nu moet nalaten, als wanneer er gedurig vocht uit neus en oogen komt. B. idem.

✓✓ (katingalo), bep. katingalöwa,

vlieg. Katingalo lömpo, en: katingalo laoeloehg,

soorten van vliegen. Ei-tannbana katmgalowa, des morgen' s zeer vroeg , bijv. te vier ure, wanneer de vliegen nog niet vliegen.

SS S\ (katapang), naam eener soort van boom , wier vrucht eenige overeenkomst heeft met die van de angkdëng ; de kern heeft in smaak wel iets van de kanarie, de Terminalia Catappa L. Mal. idem. Boeg. atdpang.

SS s\ s^ (katoepa) , bep. katoepaka. Men neemt het uitbotsel van een’ klapper-, ook wel van een tala-blad, maakt hiervan een peperhuisje, en vult dit half met rijst ( bêrasd-kówasd ). Wan¬ neer men dit gekookt heeft, verkrijgt men een’ zeer goeden kost voor de reis, bekend onder den naam van katoepa. Soms wordt ook het blad der pdndang-rdmpe gebezigd, hetgeen aan de rijst eene aangename geur mededeelt.

SS S\ \ aA \ a} (katoepêpé.) Vergel. Mtoe

N°. 3.

m m. m. A t f

SS S\ sd) O (katoempirisi) , bep. katoem-

A ,

pirisika, naam van een klein medicinaal plantje, gebez. tot verkoeling.

//AX (katamba), bep. katambaka, naam eener soort van visch. Boeg. idem.

Katamba-batoe, naam eener soort van Jcatdmbd.

//AX (1° katimbang), sprinkhaan. Ka- timbang-ase (lett. paddie-sprinkhaan), naam eener soort van sprinkhaan.

A

(2° Katimbang), naam eener soort van struik, met groote bladen.

A

SSS\X (katoeba), bep. katoebaya, verbas-

^ O 9

tering van ’t Arabische ioJois- , preek. NB. De eerste kato'eba wordt ’s morgens zeer vroeg na het eindigen der vasten van roemallang voorgelezen, en is van bijzonder groot gewigt voor den In-

A

lander; v. d. de phrase: na-êpéki katoeba. Vergel.

êpé N°. 1.

// s\ "\ X -\ (katömbong.) Djockoe ka- tömbong, naam eener soort van visch.

SS AX ^ (katoembara) , bep. katoAemba- raka , Koriander , Coriandrum Sativum L. Boeg. , Mal. en Jav. idem.

SS S\\S (katammoe), = ddmpoelóe NV 2. Van daar: katammoe-dandaoerêya, hetgeen iemand te kennen geeft, die nergens zijn weerga heeft. (S.

'A

Tjina.)

SS A \S "x (katammoSg) , de pitten en het vleezige van een rdppo-tjidoë. NB. Het vlies om de katdmmong heet: sdïloe. Vergel. sdlloe N°. 3. Het vlies om de pit alleen, heet: bddjoe.

SS s\ \S \S (katoemamaï). Vergel. kd- toe N°. 4.

SS S\ S\ (katinting) , doorn , prikkel; ook o verdragtelijk : de punten aan den rand van een schenkblad.

Akatinting allowa, de zon steekt.

Boelo katinting , naam eener soort van bamboe met groote doornen, ook wel genoemd : boelo totd- wang , dewijl men deze soort van bamboe niet kap¬ pen kan, zonder eerst de doornen afgehouwen te hebben. Vergel. toto N°. 2.

ss\s\s\ (katênta). Angkatentti, = angkatentangi, iets het laatst doen. (Bap.) Verge!. katéntang.

SS \ A A (katéntang), gebez. van het laatste kind, wel te verstaan, wanneer men berekent geene kinderen meer te zullen krijgen. Ook spreekt men van lala katéntang , de laatste kam van een pi¬ sangboom , de eenige kam die er overblijft, nadat men de andere reeds afgesneden heeft.

23

Angkatentangi , iets het laatst doen.

aa ax ax ^ (katoetoewi). Vergel. tol' toe

N°. 1.

AA Ax "x \ 'V (katöndeng), naara eener soort van öocw, geschikt voor timmerhout.

// A\^y (koetadeng) , wettigt. (Djay.) Ver- gel. koetdëng.

AA Ax V yA ~\ (katting-dappoiïg). Makat- ting-dappong, glimmend-donJcer van Meur ; bijv.: leleng makatting-dappong, glimmend donker zie art.

AA A4\ (koetanang), vragen. Boeg. oetana, makoetana. Na-nakoetanang taoe, napanagal-

A

liya, en hij vroeg naar den man, (d. i. wie de man was), van wien hij het in pand genomen had. (Brief.)

Pakoetanangahg, iemand of iets bezigen om er¬ gens naar te vragen; iemand ergens naar vragen; bijvoorb.: Iya-dji koepakoetanangang ri-katte, en dat slechts, {pi: hiernaar slechts), vraag ik van u. - Nipakoetanangang ~ anoe, ergens naar gevraagd worden. (Rap.) Ampakoetanangang ri-anoe anoe, N.N. ergens naar vragen. (Rap.) Ampakoeta- nangangi anjdjo tanana Iyanoe, hem vragen naar dat land van N.N. (Brief.) Na-nipakoetanangang- patanna têdong, er wordt navraag gedaan naar den eigenaar van denbuffel. (Inl. Wetb.)

// a AA 'N "x (katiyöld), bep. katiyó- loka, glinsterworm.) Kanjnjingkammakatiyóló, wenkbraauwen , zoo schoon als een glinsterworm , de¬ wijl deze in de duisternis een’ blinkende licht¬ streep vertoont. NB. Welligt ook heeft men het derde van de vergelijking te zoeken in het uitste¬ kende, het in ’t oog vallende van beide.

// (katarang), vorm.

Akatarang, vormen {steenen bijv. en alles, wat met een’ vorm gemaakt wordt.) Boeg. idem.

Naï-katarang, lett. zoo opklimmen , dat men als ’t ware tot vorm, tot model of voorbeeld strekken kan, d. i. hetzij op een bevallige, hetzij op een ge¬ paste wijze, bijv. niet scheef, maar regttoe, ergens opklimmen. (Madi). Bali-katarang , op boven¬ gemelde wijze ergens heengaan of terugkeer en. (Madi en S. Tjin.)

A

AA AX ff (katirang) , traag, lui.

v ^ _ A ^ ^ A si s

AA A A (katin), bep. katiriya, = ditti , kittelaar.

AA \ A\ X An (katteré), scheren. Nikatteré óe-tjerana, het korten, knippen, (niet het scheren, zoo als de letterlijke beteekenis van katteré zou aanduiden) van het bloedhaar, of het haar , waar¬ mede het kind ter wereld- gekomen is. NB. Dit ge¬ schiedt naar ’t goedvinden der ouders, vroeger of later, meestal, wanneer het kind één of twee jaar oud is; alsdan djadjdkkang, gepaard met feestelijk¬ heden.

AA -x A A (kontoeroeng), naam eener soort van plant, wier bladen als groente gebruikt worden.

AA A yA *A (katoenrapala), bep. katoeu- rapalaka, rood'e vlekken of builtjes op het lig- chaam , ten gevolge van muggebeten , of ’t steken van brandnetels en dergelijke meer.

AA A*A katala), bep. katalaka, jeuk. Mal. jlsut, Boeg. kdtd, idem; = gdtald. Taoe-ka- tala, geil, wellustig mensch. Taoe katala pa- djana, iemand, wiens achterste jeukt, d. i. iemand die nooit kan blijven zitten. Bisêyang katala pa- djana, een schip dat altoos op reis is.

AA A A (kantala), bep. kantalaka, dik , bijvoorbeeld: pap, of brei. Vergel. op tjêoró. gdnti.

% % /

// s\ (kattili), inzamelen , a f plukken , bijv-

bloemen of vruchten. Yergel. poepoeloe.

**S\*$ (katoeloe), bep. katoeloeka, hiel.

Siyónjdjé-katoeloeki , zij trappen elkander op de hielen , cl. i. volgen elkander onmiddellijk op, maken bijzonder veel spoed. (Gr. G.)

// s\ '5 (katoeloehg), zich verzamelen. Mate-todjeng-mi kadjawo, na-katoeloeng bêre-bêre, hij is werkelijk dood als een kadjawo (soort van schelpdier), waar zich mieren om heen verzame¬ len. NB. wordt bijv. toegepast op een’ dief of schelm, dien men ergens dood vindt liggen, terwijl zich terstond eene groote menigte om het lijk verzamelt.

KatoeloAengi, zich ergens op of om verzamelen ; bijv.: Nakatoeloehgi mantegaya kaloewara, er verzamelen zich op de boter mieren, cl. i. de boter geraakt vol mieren.

SS S\ -\ (katoewo). Vergel. op toewo.

SS S\ "\ (katöwahg), aarden pot. Boeg. idem. Katöwang-Tjina, soort van katówang , die van binnen groen is, en uit China komt. Boeg. idem. Katówang-bobnga, bloempot.

SS S\ O (kattasa), uitsnijden, met een mes bijvoorbeeld, als: bloemen, of male N°. 1.

SS S\ O (kantisi), slijpen, roetten. Vergel.

: péyó. Tjini-sai anjdjo taoAewa, nakan-

y m u a A

tisiki giginna rinakke, ziet eens dien man , hoe hij zijne tanden slijpt, hoe boos hij op mij is. Batoe-kantisang , slijpsteen.

✓✓ \ (koetaëhg), = koetddeng. (Djay.)

SS S^S (kada). Pakadangi matanna, zijne oogen sluiten. (Djay.)

ss KS (kandoe), = mart , ophouden-, bijv.:

A A A ^

tacna kandoena bosiya, = Iaëna pamannna bosiya,

het houdt niet op met regenen. Taëna kandoAena 2

pamaïna, (of: njawana), gebez. van iemand, die zeer moedig of brdni is.

\ vy (1° kadé), och of! , gesteld dat; ware het dat ; welligt lett. : ei lieve ! zie! eens aangeno¬ men, dat, enz. Vergel. ka N°. 2 lett. c en de N°. 2; bijv.: kadé-dja-kana kana si-boekoewang! och of ik één enkel woord kon spreken ! (Sinr.) Kadé-dji na-êro-mamo anne Djayalangkara ri- toewang-Poetiri-Baana-Dêwi ; barang ahggappa- i tjoAetjoe karaënga taoe badji-badji, lett.: och of deze Djayalangkara maar verliefd vnerd op de prinses Raana-Dêwi , v. d. : zoo deze Djdyalang - kdra eens verliefd roierd op de prinses ; welligt kreeg de vorst dan nog schoone kleinkinderen. (Djay.)

Ka-kadé, = kadé, bijv.: ka-kadé-dji na-niya antina boeranne; koekana, enz., ware het maar, dat hij een zoon had; zoo zou ik meenen, enz. (Djay.) Ka-kadé-dji na-koemate, ware ik gestorven, enz. (Djay.)

O ^

(2° kade), = kida. Boeg. kêde. Mal.^^xV

Si-pakade-mata , één oogenblik; v. d.: Na-si- pakade-mata-dji, nabattoe-mo , één oogenblik slechts, en hij kwam.

(3° kade). Vergel. het Javaansche M-trBtuyjp , weinig. Sikdde, = sikêde, sikête, èen iceinig ; bijv. : Sikade-mamo, namate, een weinig slechts, en hij was dood, d. i. het scheelde maar weinig , of hij was dood. Sikade badjina, lett. zou het goede daar¬ van slechts een weinig zijn? d. i. het is bijzonder goed. Dikwijls gebezigd door den overwinnaar, die de volkeren, welke in onderwerping komen, in genade aanneemt, zooveel als : dat is goed van u gedaan , dat verheugt mij, dat is mij bijzonder aan¬ genaam. Tasikade, bij beetjes.

25

✓✓ \ vy (kadeng) , ’t Arab. , eeuwig.

(Kêlong.)

\ \y (kande). Kande-kande-oelara , Momordica Balsamina L. Var. Boeg. kdnde-kdnde oeln, idem.

✓✓ \y% (l°kadó), bep. kadoka, = kanre,

A /

eten , rijst. Yergel beneden. Kadó-tinó. Vergel. ünó. Kadó-nidedó. Yergel. N°. 2. Ka- dó-kadamang (I). Moes) , = kadó-nidédé. Ka- ta-sira. Yergel. sir a N°. 3. Kadó-kalötoró. Vergel. kalotoró. Kadó-masingkoelóe. Vergel. singkoeloe. Kadó-boelo. Yergel. bóelo. Kadó- lêkó-lêkó, eene lekkernij, bestaande in rijst met fijn geraspte welriekende bladen van allerlei aard, alsmede gebakken en gedroogde visch,trassie, enz. Dit geregt wordt gegeten in de nachten van de maand roemallang, en ziet er zeer mooi uit, v. d.

A /

in de Sinrili’s een’ sierlijke haarvlecht hiermede vergeleken. (Dat. Moes.) Kadó-bissoe, = kddó- lêkó-lêkó. Kadó-pöle. Dus te Makassar ge¬ noemd: de portie gekookte rijst met toebehooren, die ieder van de gasten , bij gelegenheid van brui¬ loften en dergelijke meê naar huis krijgt. Op het maoedóe-feest worden die por tie’s , al naar gelang van den rang der personen , voor wie zij bestemd zijn, in meer of min met gekleurd papier, nage¬ maakte bloemen , geverwde eijeren , enz. versierde bakken, te huis bezorgd. Bij dit pole vergelijke men erang-póle op: pole N°. 2. NB. In Gówa

sf st

spreekt men eenvoudig van : kddó, niet van : kadó- pöle. Bêmbeng-kadó. Vergel. bémbeng. Balla- kadó, = songkókang . Yergel. op sdngkó. Löntara , na taëna kadona, brief zonder iels om van te eten, d. i. zonder bijgevoegd cadeau. (Tar.)

Akadó, = kdnre, ngdnre , eten (werkwoord),

doch gewoonlijk tegen meerderen in stand of jarcn gebezigd.

Sêsa-makadókoe , of: sêsa-pêpé-makadókoe , overblijfselen van hetgeen, waarvan ik gegeten, of van hetgeen waarvan ik mijn eten gekookt heb , d. i. het¬ geen ik, na aftrek van begrafenis-onkosten , van schulden, en dergélijke meer , nalaat. (Rap. T. Dj.)

Ana ta- ii akadó nika, een kind, waar geen nika voor gegeten is, d. i. plaats gehad heeft, d. i. een kind , uit onwettige gemeenschap geboren, onecht kind.

Nakadóki pepé parasahganga, vuur verslindt ( verteert ) het land. (Rap.) Ikambe ta-nakadó

A A A

bassinoe, ikaoe ta-nakadó bassimang, lett. ons ver¬ slindt niet, d. i. ons doodt niet uw zwaard, en u doodt niet ons zwaard. (Rap.) Kadó-pêpé, over¬ wonnen landen , als zijnde grootendeels door vuur verwoest. Bitjara-mami angkadóki, lett. de Raad eet slechts, d. i. laat boete betalen. (Rap.) Taoe-nakadóka tjoeke, lett. : de menschen , van wie de salaris eet, d. i. de menschen van wie salaris ge¬ nomen wordt. (Rap. K. G.) Anjdjari anoe-ni- kadó-kadóna , letterl. datgeen van hem , wat gegeten, wordt, groeit, v. d. hij krijgt allerlei boomvruchten van zijn land. (Rap. K. G.)

Pakadó, lett. het eten, v. d.: het beboeten; v. d.: beboeting, boete. (Rap.). NB. ook gebezigd van het geld, dat men terstond na zijn huwelijk, aan den vorst, of, zoo men van geringen stand is, aan den toe-mailalahg of gallarrang brengt, doch gewoon¬ lijk terug krijgt, alzoo letterlijk: hetgeen de vorst , (of anders, hetzij de toe-maïlalang, hetzij de gallar¬ rang), eet, d. i. in ontvangst neemt.

Kadökang, toespijs, bestaande in: visch en der¬ gelijke, die men bij de rijst eet. Wel te onder¬ scheiden van: lapdkkang. Vergel. op: lapd N°. 2.

20

Balló-alling Balanda sikade, iya kikado'-kadö-

kanga, een weinig Holla, ndsche azijn , die wij als toe¬ spijs lij het eten gebruiken kunnen , d. i. alleen om bij ons eten te doen, dus: slechts een weinigje. Sareya tjela kado-kadokahg, geef mij wat zout, om bij het eten te gebruiken , wat zout voor dagelijkschge-

/ M

bruïk, d. i. slechts een weinig. La-ki-apai? La-koekadó-kadókang-dji, wat zult gijermeê doen? Ik wil het slechts voor dagelijksch gebruik hebben.

Pakadökahg, datgeen, waarin men het eten doet, of datgeen, waarop men het neêrzet, van daar: ons schotel 's, en ook: ons etenstaf el.

Gaoe-pakadókang, of: papakadökaiïg, feest¬ maaltijd. (Bap. K. G.) Pönna nipapanaoAengang ase, malibai nipapakadókang toe-mate (of: nipa- pakadökangi ri-toe-mate) , zoo men daarop, (d. i. op dien dag,) pad die plant, zal die paddie spoedig ge¬ bruikt worden, om den menschen te eten te geven bij gelegenheid van een sterfgeval, met andere woorden:

A

gebruikt worden voor een lijkmaal. (Kotika.)

o verdragtelijk gebez. van het fonkelen van een diamant, gelijk ook van het glinsteren en gedurig

A

bewegen van sommige kleedsieraden ; v. d. kida-

A # ##

kida, naam eener soort van versiersel, dikwijls aan den rand van de timbdwo gehangen.

Si-pakidang, één oogenblik. Yergel. ’tMaleische

O ^

en ’t Javaansche aSntaniLgjs. Bintöëng sikida-kida, sterren, die elkander als ’t ware toelonken , fonkelen.

% % A 9

✓✓ '-'V (1° kidi) , Saley, klem.

(2° sikidi), Bonth. = sikade. Yergel. kade N°. 3.

^ A ^ A * 1

(kido), Boeg. idem. Akido kanj- njing, de wenkbraauwen optrekken , of zamentrek-

A _ _ _ _ A

ken. Sikido-kanjnjingi, elkander wenken geven.

Akido-kido-mata, de oogen op en neer slaan. NB. bij het ddjdllïng, slaat men de oogen regts en links. Yerg. beneden.

//^N (kidong), = ingkong, staart. Kidohg-mata, uiterste hoek, (letterl.: staart)

A A

van het oog. (Bid.) Kidong koelitja. Yergel.

(2° lcado) , knikken met het hoofd. Boeg. idem. NB. Eene achtencaartsche beweging met het hoofd geeft toestemming ; eene voorwaartsche daarentegen een roepen, een tot zich wenken, te kennen.

Takado-kado, = idrddo-rddo , (vergel. ddo), ge¬ durig met het hoofd voorover knikken. Gebezigd van een’ oud’ man, die onder het gaan gedurig met het hoofd voorover knikt. Zoo ook gebez. van een ruiter, die niet vast op zijn paard zit, en daar¬ door hetzelfde doet.

Djtngang-djangang pakado, een lokvogel, die als ’t ware den anderen vogels toeknikt, om toch maar te naderen.

a g /

(kida),= ’tMal. , met de oogen

knippen, blikken, ooglongkjes geven. Akida-kida,

op: koelitja.

Daëng makidong , letterl. : een daëng met een staart. Aldus soms genoemd een rat.

\ s* \ g/ (kêde), kade N°. 3 , weinig. Sikêde, = sikade.

(kende). Takende, opschrikken.

\ vV'N (kêdo). Yergel. het Boeginesche kédo , bewegen.

Takêdo-kêdo, op en neer wippen.

Papêkang pakêdo-kêdo , hengelaars, die de hen¬ gel niet stil houden , maar gedurig doen op- en néér wippen-, hetgeen men vooral tot het vangen van enkele soorten van visschen pleegt te doen. (Dat. Moes.)

(kónda), bep. kondaya, Boeg. idem.

27

Köncla djcneka, gebez. van water, dat niet bijzon¬ der laag, en ook niet bijzonder hoog staat, alzoo de middelstand van liet water , (noch eb, noch vloed).

✓✓ "N KS (1° ködi), bep. kodiya, slecht , hoos , ondeugend; bijvoorb.: ködi patjinina, slecht is zijn zien , v. d. hij wordt duizelig. Ködi-tappa, slecht van voorkomen , v. d.: leelijk. Pamaï- ködi , jlaauwte. Ködi-paroaï, flaauw. Ködi- bawa , slecht van mond , v. d. verklikker , aanbren¬ ger.

A

Kodiya, lett.: het slechte , het kwade , v. d. geb. achter werkwoorden van vreezen , bijv.: mallaka

A

kodiya nakana, ik vrees, dat hij zegge, lett. ik vrees het kwade, (hierin bestaande:) dat hij zegt, enz., vervolgens bezigt men : kodiya, en insgelijks ko- diya-ka, zonder dat er een werkwoord van vreezen voorafgaat, bijv. : kodiya-ka iya-dji angalleï seleka, ik vrees dat hij het is, die de kris heeft weggenomen. (Brief.) Lett. : Dit is het kwade , d. i.: hier ben ik bang voor, dat , of nog letterlijker : daar hij het wel wezen zal, die, enz.

A t

Kakodiyang, a) slechtheid-, b) in slechten toestand verkeeren; c) kwaad ondervindenvan ; bijv. : Nikanaya

A _i_. A

taoe-tödjeng, manna la-nakakodiyang, ka-leba-na- kanangi , ta-nasassaliyai , hij, die een tdoe-tódjeng heet, ofschoon hij daardoor in slechten toestand, d. i. in ongelegenheid zou geraken, enz. (Rap. K. G.) Ri-gaoe nakakodiyahga kalênnoe, in eene zaak, waardoor gij zelf in slechten toestand zoudt kunnen geraken, d. i. ongelukkig zoudt kunnemcordcn. (Rap. K. G.) Noekakodiyahg-dji , \oit. gij ondervindt er immers kwaad van , d. i.: het is immers slechtvoor u.

A A

Kodi, angodi , kwaad doen, iets slecht maken, iets slecht doen.

(2° ködi), bep. kodiya, = ’t Maleische

twintig stuks, geweren bijv., of pieken, of bijlen , of sarongs, of kleedjes, of wat het ook zij.

✓✓ -\ \ AS (1° könde), bep. köndeka, ’t Ma-

leische een’ haarknoop, eene manier om

het haar op de kruin van het hoofd op te rollen , en vast te steken, gelijk de Chinesche vrouwen doen.

(2° Könde), soort van kaarten bij het patoewi- en kówa-gónggong-spel.

//^vy^ (1° ködo), = boekkde N°. 3.

Ködo-kadangkang. Verg. ddngkang.

(2° ködó-kodökang), iets icïllen spreken of doen, doch door vrees daarvan terug gehouden worden.

SS (1° köndo), bep. kondöwa, reiger.

Mal. 2 ddzyS. Köndo-têdong. Kleine soort van reiger met een bosje gele veêren in den nek. Köndo-poera, kleiner dan de kóndo-têdong , en met donker-vale veêren. Tai-köndo, reigerdrek; en dewijl dit wit van kleur is, ook gebez. om het se¬ men virile aan te duiden; v. d. tdrdttji-mi tdï- kondóna, het semen virile is uitgespat. Natai- köndo matanna, zijn oog is met reigerdrek, spot¬ tenderwijze gezegd van iemand die een boelaldk- kang heeft. Vergel. op: boelaldkkang .

(2° köndo-köndo) , bep. köndo-kondöwa, naam van een struik voor omheiningen, behoorende tot de familie der Acanthaceae.

(kado-kadangkang). Ver¬ gel. kódo-kaddngkang .

SS -\ // v ✓✓ (ködo-kadangkang).

Vergel. ko'do N°. 1 en ddngkang.

SS 'AS 4j (kandaga), bep. kandagaya, soort van Moluksche kist of koffer, van roembiya-bladen gemaakt en met schelpen belegd , veel overeen¬ komst hebbende met de tatdemboe ; en alleen

4*

28

hierin van de laatste onderscheiden, dat deze hoo- ger, en niet zoo langwerpig is. Vergel. tatoemboe. (Sinr. Tar.) Boeg. idem.

(kadapangang) , soort van viscli.

✓✓ y y (kadamang). Kadó-kadamang; verg. kddó N°. 1.

(kadatong). - Kadatongi, zijn of haar armspieren staan sterk gespannen. Gebe¬ zigd van een’ barende vrouw, van iemand, die iets zwaars voorttrekt, van iemand, die een groot net wil uitgooijen , enz. (Dat. Moes.)

(kadaro), bep. kadaröwa, schaal. Boeg. idem. Kadaro-kaloekoe, klapper schaal. Ook gebez. als maat. Kadaro-oeloe, lett. lioofd- schaal, v. d. schedel. Boeg. idem. Kadaro-kanj- njing, lett. wenkbraauwschaal ,v . d. : been van bin¬ nen onder de wenkbraauwen, wenkbraauwboog .

Akadaro , spelen met de beide helften van een’ klapper-schaal.

✓✓y ^ (Kadiri). Tambako-Kadiri. Ver- gel. tambdko.

(kadêra), bep. kaderaya, Port. stoel. Boeg. idem.

V 'N V (kandora), bep. kandöraka. Lame-kandöra. Yergel. lame.

y \ ^ 'N (kadoró) , bep. kadoroka, stijf , onbuigzaam. Boeg. mdkddó. Kadoró tangara, stijf , onbuigzaam in het oordeelen, v. d.: sterk op zijn stuk blijvende staan , onverbiddelijk , enz. Ka- doró-oeloe, stijfhoofdig , hoofdig. Kadoró ri-ka- teyanga, stijf in het niet willen , d. i. halstarrig. Taoe kadoró, een hoerelooper. Kadoróki ohra- battanna, de spieren van zijnd buik staan stijf, d. i. zijn buik is opgezet, gespannen. Njawa makadoró, lett.: stevige, sterke, goede levenskracht, v. d. :

goede gezondheid. Dikwijls verbonden met boekoe mdgdssing, en gezegd: njdwa makadoró , siyagdng boekoe mdgdssing. Vergel. boekoe N°. 1. Pónna timoró, kadoróki boekoAewa, in de Oostmoeson zijn de beenderen stijf, d. i. hard, stevig , d. i. gevoelt men zich sterk.

Pakadoró boekoAewa, debeenderen stijf, v. d. vast, stevig , sterk maken, d. i. maken, dat men zich sterk gevoelt.

Kado-kadoró-dji, hij is gezond, dkoelle-koel- le-dji, = gdssing-gassing-dji. Vergel. koelie en gas¬ sing N°. 2.

//y ^ (kadala), bep. kadalaka, het Ma- leische JlyT, melaatschheid.

(kadalle), bep. kadallêya, soort van heester met eetbare peulvrucht.

✓✓ y "\ (kadawo), bep. kadawöwa, soort van boom, welks boontjes gebrand, en met tdï- dnging , tdpoe-bêrasd en koenji gekaauwd, en dan op den buik van het kind, dat pijn in het lijf heeft, gespuwd worden, (niporasd.) De bast van dien boom heet solda, en wordt op een’ steen fijn gewreven met water. De pap, die hierdoor ontstaat, aangewend bij verzwikkingen, en bij in- of uitwendige kneuzingen. Boeg. idem.

// 'y -\ (1° kandawo), met een gleuf , of een weinig uitgehold zijn.

(2° nikandawo malêla), met staal door stoken of verwond worden. (D. Moes.)

✓✓ <5^ (kandawari), bep. kandawariya,

soort van bordes op zij van een huis, of ook op zij van de bandwa’s, (vergel. bandwd), wel te onder¬ scheiden van de tdla-tdla, die niet zoo lang en altoos achter aan het huis is. Yergel. tdla N°. 4. Boeg. idem.

✓✓ \ 'y \ O (koendêse). Akoendêse, soort

L>9

van kinderspel, veel overeenkomst hebbende met liet dsipard , (vergel. beneden). Alleenlijk wordt dit niet met bamboesjes , maar met boontjes ge¬ speeld, en moet men hierbij nog ten slotte de boontjes voor een gedeelte in zijne regterhand ne¬ men. En zoo de ander raadt, hoeveel men opge¬ nomen heeft, ontloopt hij daardoor de kóngkong , wij zouden zeggen : het streepje.

ss /: (1° kana), bep. kanaya, vnw. kanang- koe , kananta , kananna, woord. Kana si-boe- k de wang, één woord. Kana-si tappa, umarachtig woord, eed. Yergel. tappa N°. 4. Kana-tödjeng. Vergel. tódjeng. Paroentóe-kana. Vergel. rden- to'e. Oeroe-kana. Vergel. deroe. Barang-kana. Vergel. bcirang. Apala-kana. Vergel. paid N°. 4. Böko-kana. Vergel. bdko. Kana-ni- tdfenggeng. Vergel. tdenggeng. Paleko kanaya. Vergel. léko N°. 2. Pabêlo kanaya. Vergel. bélo. Taëna kanangkoe, lett. ik heb geen woord, d. i. ik heb niets te zeggen, ik onderwerp mij geheel aan uwen wil. Aparé-kana , een woord maken , zamen stéllen, bijv. : aparé-kana ri-paranna kana, een woord zamenstellen op medeicoorden , d. i. : een antwoord op iemands woorden zamenstellen. (Bap. K. G.) Ver¬ gel. verder op paré N°. 1. Aparé-paré kana. Vergel. op pdréW. 1. Taëna antoe akoelle am- pilampai kana, daar kan niemand een woord tegen doen gaan, d. i. een woord tegen zeggen. Têya- töngi ïya raba kananna, hij wil ook niet, dat zijn woord valle, d. i. hij wil ook niet erkennen, dat hij het mis gehad heeft. (Bap. K. G.)

Akana, spreken , zeggen.

Nakana kalênna kaloemanjnjang , hij roemt zich zelven rijk. Nakana kalênna, hij verbeeldt zich ijselijk veel , bijv. dat hij mooi, dat hij kundig ,

dat hij rijk is, enz. Koekana, inakke, ik voor mij, zeg, d. i. meen, vermeen. Toe-makana, iemand die spreekt, v. d. soms geb. voor een regter.

. ’a /_w A { '

(Bap.) Sapi, djangang, kiti, djoekoeka tani- kana-mo, koeijen, hoenders, eenden , tencijl de vis- schen niet meer te noemen zijn, lett. niet meer te zeggen is, namelijk: hunne menigte. (Djay.) Aka- na-tödjeng. Vergel. tódjeng. Taoe êro-nikana, iemand die van zich teil laten spreken. Wordt dit nu bijv. gezegd van iemand, die veel op zijne schat¬ ten pocht ; zoo geeft het te kennen iemand, die voor rijk wil doorgaan, rijk teil genoemd worden. Ziet het op iemand, die hevig dreigt, zoo staat het gelijk met: éró-nikamalldkkang , wenscht gevreesd te icorden , wil van zijne magt laten spreken. Ziet het op iemand, die zich veel op zijn goed voorko¬ men laat voorstaan, zoo beteekent het zoo veel als: iemand die algemeen voor mooi (badji-bddji) wil doorgaan, enz. Kaërónikanang, zucht om van zich te laten spreken.

Akana-kana, zeggen, vertéllen. Vergel. mijne Mak. Spraakk. § 166 en 2°. Toe-makana- kana, iemand die spreekt, wiens voortdurende bezig¬ heid het is , om te spreken , boodschappen over te bren¬ gen; vandaar: een sdero, of zendeling. (Bap. K. G.)

Kana-kanangi, of kana-kanangangi, iemand (iets) zeggen, vertellen.

Pakana, laten spreken, bijv.: koepakana riyölo bainnêngkoe. Ditgezegde gebezigd, wanneermen er¬ gens geïnviteerd wordt, en het antwoord van ’t goed¬ vinden zijner vrouw wil laten afhangen. Het be¬ teekent letterlijk: ik zal eerst mijne vrouw laten spreken, d. i. : haar laten zeggen, of zij al dan niet van de invitatie gébruik wil maken. Zoo ook : pakana-balanda, met Hollandsche woorden doen zijn,

30

cl. i.: in het Hollcmdsch overzetten. Kanai, let¬ ter!. spreken tot iemand; doch gewoonlijk gebezigd in den zin van : tegen iemand uitvaren en hem uit¬ schelden. Het staat alzoo in het gebruik tegen¬ over pakanai , dat altoos een’ vriéndelijke bestraf¬ fing of ter egtwij zing te kennen geeft. Yergel. be¬ neden.

Pakanaï, a) spreken tot iemand; bijvoorb. : Manna ta-nipakanaiki, ofschoon het ons niet gezegd is. (Rap K. G.) Napakanaiya, letterl. hij spreekt mij toe , v. d. hij bestraft mij. (Rap. K. G.) = Êró-dji nipakanai, lett. hij wil zich immers laten toespreken , teregtwijzen , d. i. hij is gezeggelijk.

b) spreken met het oog op, spreken over, omtrent, of van iemand of iets ; bij voorbeeld : Taoe nipaka- naïya nikapang, de man van, of omtrent wien ge¬ zegd wordt, dat suspicie (bijvoorb. van diefstal) bestaat (Brief). Iya tonjdji ampakanai bate-ba- têva, letterl.: hij spreekt immers zelfvan de bdte- bdte’s, d. i. hij wijst zelf degenen aan, die mee moe¬ ten gaan. (Rap. K. G.) Pakamma palloenna, an- tekamma kipakanaïya, zoo koken, als gij gezegd hebt , letterl. : zoo als is, hetgeen gij daaromtrent ge¬ zegd hebt. (Brief.)

Apakanangi, voor, ten gevalle, ten behoeve van iemand, of iets, spreken, bijvoorb.: apakanangi boettaya, spreken voor het land, v. cl.: Bitjdra- boetta of Rijksbestierder zijn. (Rap., G. G.) Na- napakananga toewang Iyanoe, NN. heeft voor mij > ten behoeve van mij, gesproken, dat is: is mijne voor¬ spraak geweest. Nipakana-kanangi pole ri-toe- wahg, letterl.: er werd verder gedurig ten zij¬ nen gevalle gesproken door den Arabier, d. i. hij werd verder door den Arabier onderwezen. (Rap. K. G.)

Pakana-todj Ingang, een eed doen (akana-tó- cljehg), zweren voor, ten behoeve van , d. i. beledi¬ gen , (jets).

Pakana-sitappakkahg Rewataya, een eed doen (akana-sitappa) voor God, d. i. een! eed van trouw

I

aan God doen. (Rap. K. G.)

Ampakana-boettangï, voor de waarheid van het een of ander dien eed afleggen, waarbij men niet slechts zijn eigen persoon, maar ook zijn gansche land met zich verwenscht, zoo men zijne lippen met leugentaal rnogt bezoedelen. NB. deze eed natuur¬ lijk slechts af te leggen door hen die een land te besturen hebben.

Sipakana, a) elkander laten spreken.

b) tot elkander spreken, te zamen spreken. (Rap. K. G.)

Pati-kana-kana , allerlei praatjes houden, bab¬ belen.

Sangkana \, het ergens omtrent eens zijn. (S. Tjin.)

yf

(2° kanna) , het Boeg. kanna , het Makas- saarsche tdba N°. 1. Yergel. rórnbo.

SS /ï\ (1° kanang), regterzijde, regtsch, han¬ dig, geschikt, passend. Mal. idem. Ka-

nang-giyo, handig , geschikt in zijn bewegingen. Kanang-gaoe, handig, geschikt in zijn doen. Kanang-pamaï , handig, geschikt van aard, d. i ieder overeenkomstig zijn aard en inborst behande¬ lende , en onder allerlei soort van menschen op zijn

A #

gemak. Yergel. kaïn.

(2° kanahg) } stuurboord, als zijnde aan de reg¬ terzijde van het schip. B. idem.

(3° kanang), soort van boom, welks gom als geneesmiddel gebezigd wordt.

(kane), bep. kanêya, soort van

brandhout.

31

✓✓ /ï\ (koena). Pakóena, aldus maken NB. Bonthainsch, of nog juister: Boegineesch, za- mengesteld uit: pakoe, aldus maken , van koe, = koewa , aldus, -f na, vnw. 3 pers.

\ ✓✓ SZs (kênna), = kêre N°. 2, waar, icat voor, wat voor iets, welk, wat, ’t Mal. ^Lo en ’t Boeg. kênna, idem. Bijvoorb.: kênna tangkênna, enz., waar is deszelfs tak, enz. (Madi.) Kênna-mo ta-malannassi?, lett. : waar is het niet verliefd doen worden? d. i. hoe! sou ik niet verliefd worden? (Sinr.) Kênna-gaoe koegaoAekang ? lett. wat voor daad zal ik doen? d. i. wat zal ik doen? (Kei.) Kênna noengaïya? wat is het, dat gij verkiest? { Kei.)

\ ✓✓ SZ\ (kénang) , menschen , ’t Maleische ^w.JOo (Tar. Godsd.)

Ikénanne, = kénang, of welligt = kénang dnne. Kénaning, = kénang.

ss -\ \ szs (konne), Bonth. en Sak, an- rinni, hier. Vergel. liet Boeg. ko of koe, aldaar. (Madi.)

Könne-kónne, Bonth. en Toer, = kdmma-kdmma dnne , tegenwoordig. Vergel. ’t Boeginesche koe- koewdie, idem. Men zie ook op kdmma N°. 2.

✓✓ /^\ ✓✓ (kaniki), bep. kanikika, de plaats boven op een padoewakaiig, of handelsvaartuig, ter weerszijde van de boekkoe, (vergel. boekkoe N°. 3) , wordt van onderen geformeerd door de paddngkó’s. (Vergel. dóngkó N°. 2.) Boeg. idem.

SS /Z\ ss (kaningkihg), pink, ’t Maleische

SS S^s SS (kanoekoe), bep. kanoekoewa, vnw. kanoekoengkoe, nagel, klaauw. B. idem. Mal.

Pökó-kanoekoe , als ’t ware de stam of oorsprong van den nagel , dus : dat gedeelte, waar hij uit de vingertoppen te voorschijn komt. Kanoekoe-

matjang, tijg er -klaauw. Gebezigd als amuleet. Kanoekoe-djangahg-djangahg , lett. vogel-klaamc, v. d. de krul hoven aan het lemmet der kris, doch onder de kdnjtjing. Vergel. kdnjtjing.

sssïsX (kananga), bep. kanangaya, soort van bloemdragenden boom, de Uvaria Cananga. L. Mal. en Boeg. idem.

SS h\S\ (kaniti), Saleyer., = kdbilt.

SS SL\ Sï\ (kanoenang) , soort van boom , welks hout veel gebruikt wordt voor masten en roeiriemen.

SS szs SZ\ (koenini) , = koeniya. (D. Moes.)

\ ✓✓ SI , /Z kénaning). Vergel. kénang.

SS SZs « ~\ (kanayohg). Kana-kanayohg, kinderspel, waarbij de kinderen om het andere de vuistjes op elkander zetten, en wel zoo, dat de duim altoos naar boven steekt , en dient om we¬ derom de vuist van een’ ander op te doen rusten. Ondertusschen zingen de kinderen: „Kana-kana- „yohg karoAenroehg; têpó, pariyepanoe, pariboeiïga- „simbolênnoe.” Bij de woorden : têpó, pariyepanoe , steekt het kind , welks vuist de bovenste is, zijn duim onder den arm, (vergel. op: êpa), en bij de laatste woorden, brengt het die aan de bloem van de simhóleng. (Vergel. op : simbóleng).

^ A

SS SZ\ « (koeniya), bep. koeniyaya, woord. Manna koeniya, (of: koeni-koeniyana) ta-niya, men vernam zelfs geen woord, hoorde letterlijk niets. Makoeniya , spreken. (Sinr.)

SS SZ\\**^ (kanare), bep. kanarêya , ’t Ma¬ leische ^LT, soort van amandelboom, Canarium sp. Van daar: tokehg kanare, een tokeüg met den vorm van een kanarie-noot. Vergel. op: tókeng.

SS SZ\ s+\ (kanawa) , bep. kanawaya , soort van boom.

3 c2

✓✓ /^\ O (kannassa)', bep. kannassaka. Dit wordt gebez. van alle eetbare waren , welke door middel van zout , azijn , olij-oi brandewijn of iets anders van dien aard, tegen bederf gewaarborgd worden: ingelegde eetwaren. (Boeg. idem.) Zoo kan men er bijvoorbeeld onder verstaan : zout vleescïi , Europesche ham , zoute visch , haring , atjar' s (zuren), als: augurkjes, enz., vruchten op brandewijn , sar- dijntjes in olij , enz.

Pakannassang, de plaats waar, of : depot, waarin men de kdnnassd bewaart.

tegen elkander geslagen worden. (S. Tjin.) Yergel. bóngka.

** (katjóe), buigen.

Takatjoe-katjoe, gebogen, te buigen , buigzaam, bijvoorb.: een stuk rottan , of een boomtak.

Pakatjoe, buigen, bijv.: pakatjoe-sai anjdjo, buig dat eens.

Katjoeki, ergens op of over buigen; bijv.: Ka- tjoeki-sai babala dongkdna, buig eens een zweep op zijn' rug, d. i. : geef hem eens ter deeg e met de zweep op zijn ' rug.

SS jc\ O (kinisi), = kade N°. 3. Si-kimisi,

// *0 (kinjtja). Kinjtja-kinjtja, bep. kinjtja-

een weinig, een klem stuk.

(1° katja), bep. katjaya, glas. Boeg. Mal. Sd. Jav. Sskr. idem.

(2° katja), bep. katjaka, ondeugend. Katja- ki, hij is ondeugend. Yan daar ook gebez. van

A<

kinjtjaka, zacht omgebogen, bijv. een' vrucht. Mal.

O , (1^, *

krom.

Pakinjtja-kinjtjaki karemênna, de vingers een weinig achterover buigen , zooals de padjogé's of pu¬ blieke dansmeiden bij het dansen plegen te doen.

verboden omgang met vrouwen. Boeg. mdkatjd, idem.

// (kattji), bep.kattjiya, zuur. Boeg. kattji, idem. Nikattji-lëmo, met limoensap gezuurd , of zuur gemaakt worden.

Pakattji, dat geen wat zuur maakt. Alzoo ge¬ noemd de navolgende ingrediënten voor de groente bij de rijst, als: baïnang , tjaramêlé, bdlló ailing, tjdmba, tjdmba djdwa, sdttoeloe, lémo kdpasd , lémo pakasoemba, lemo maritja, lemo kdmbaug, enz. Men zie op de aangehaalde woorden.

// *0 (1° kanjtjing), (vergel. ’tMal. Sund. en Jav. kanjtjing , knoop ) , het bovenste deel van het lemmet eener kris , dat uit de scheede pleegt uit te steken. Boeg. idem. Kanjtjing mandappong, soort van gouden halssieraad, van voren op de borst hangende. Yergel. mandappong .

(2°. kanjtjing), één van de vorstelijke pabóng- ka-sêtang's , bestaande in twee kleine bekkens, die

\ ✓✓ (kêtji), bep. ketjiya, brik. Mal. ke- tjie. Ambing-kêtji. Vergel. drnbing.

\ \ (kêtjé). Akêtjé, soort van kinder¬

spel, waarbij een zeker aantal pitten in vieren ver¬ deeld wordt, en men vooraf raden moet, hoeveel er alsdan overschieten zullen. Het antwoord luidt tarroesoena, d. i., dat er niets over schiet, sé- rêna, d. i. dat er één overblijft, roewdnna, dat er twee, of: tailoenna, dat er drie resten. Boeg. idem. Jav. ^ mi vq ik» mij}' .

✓✓ ”\ (kottji), ergens uitpeuteren, of uitha¬ len, of uitnemen, hetzij door zijne hand of vinger er in te steken, of op eenige andere wijze; bijv.-. boeken uit een trommel , vuilnis uit de oor en; eten, dat tusschen de tanden zit, eijeren uit een nest,

/ / ^ A

(Rap.) B. móti. Ahgöttjiki djéneka, lett. het water peutert hier uit, d. i. spoelt landwaarts in , neemt een bogt landwaarts in. Angöttji ri-kanï ,

33

of: ri-kanang, aganga, de weg loopt links of regts. Ahgöttji ri-kaïri pêpeka, de brand breidt zich

A

links uit. Angóttji ri-kaïri barisika, de aanval wordt linksaf gedirigeerd. Ahgöttjiki, baraka, lett. de westmoeson peutert, neemt iets uit de oostmoeson, d. i. : maakt zich meester van een gedeelte der oostmoeson, d. i. : het isiceër van de west¬ moeson, ofschoon de tijd van de oostmoeson reeds daar is. Na-kikóttji lappakkanna, wijsteken onze hand in de holte, gevormd door de buiging der knie. (Maoet.)

'-Vj A

Kottjikang, broekzak. B. idem.

Paköttj i-köttj i , lett. een peuteraar, d. i. : een dief die eene kleine opening in den bamboezen wand maakt, en zoo het een of ander uit een huis haalt, uitpeutert; v. d. ook : iemand die eene vrouw op on¬ voegzame plaatsen tracht beet te pakken.

akóttjiki

// ~\ (konjtji), bep. konjtjiya, sleutel. Sd. Mal. Jav. koentji, Skr. koentjikd, idem.

✓✓ \ ^ (kotje), bep. kötje-kotjêya. Taoe-

kótje-kótje, iemand die los in den mond is, vuile aardigheden vertelt. B. mddótje-dótje.

✓✓ "*0 ✓✓ "\ ^ (katjikoró), bep. katjiko- roka, holte in den nek, nek. B. tjdkong.

// *0 AJ t ^ (kutjahg-górehg), eigenlijk Mal. , doch in het Makass. gebez. voor eene soort van lange peulvrucht.

✓✓ *0 X (katjambang), (Madi), soort van zij¬ den buikband met franjes, eertijds in gebruik.

** X "N (katjoebohg) , soort van plant, wier vrucht en zaad een bedwelmende kracht heb¬ ben, Mal. Datura fastuosa L. Men heeft

twee soorten van hatjoeboiïg, te weten -.kammoemmoe en kêbó.

** •'O ' V (katjoenda), bep. katjoendaya, ar¬ rowroot , arrowrooth eesler .

"N (katjannohg), blaar. B. idem. bijv.: katjannohg nakanre pópe, brandblaar. Ka¬ tjannohg- natiriki djené-bambahg, blaar van het storten van kokend water. Poeroe-pohroe ka¬ tjannohg-, soort van puistjes, die in blaren over- gaan.

✓✓ -rj (kattjili), goed raken. (Staat tegen¬ over bétjoló, afschrampen .) Nikattjili-mi, hij is goed geraakt; en wanneer zulks met een geweer geschied is, betcekent het zoo veel als: hij is mors dood. Ta-kattjilai, hij raakt het niet goed, dat is: hij raakt het slechts even , of: hij gaat er langs. NB. Deze phrase bijvoorbeeld gebezigd onder het dmólong -taboe , eene soort van spel. Yergel. pd- long.

SS -\ (katjówa),bep.katjówaka, kleine soort van kakkerlak.

Sf -*ó (koetjai), bep. koetjaïya, soort van groente voor den Inlandschen kost. (Kei.) Boeg. idem.

(kadjahg), soort van matten, gemaakt van koewalbladen. Jav. en Mal. idem. Ka- djang si-bakkarrang, een stuk kddjang. Yergel. bakkdrrang , op bdkkard N°. 2.

Kadjahg-pada, soort van rek op de praauwen, waarover men de kddjang leggen kan, tot beschut¬ ting tegen de zon.

Kadj ahg-r oempoe, soort van langwerpig en van boven in een’ hoek uitloopcnd deksel , dat men soms in het graf op het lijk zet. Ook soort van los dak , soms op de praauwen gezet.

✓✓ (kanjdja), bep. kanjdjaka, soort van visch, door de Maleijers kdkap, en door de Euro¬ peanen gewoonlijk kaalkop genoemd.

// SJ (kidjang). Takidjahg, ontstellen.

5

3*

/

// SO (koenjdjoeng) , doel , oogmerk, met opzet, met zekere bedoeling handelen, icillen, voornemens zijn. Bijv.: Koenjdjoenna kananna-djipaleng, (= póro-kandnna , vergel. por o N°. 1), het icas dan maar, om wat te zeggen, lett. de bedoeling was dan maar, om eenige woorden of klanken voort te bren¬ gen. (Bid.)

Takoenjdjoeng, staat wat den vorm betreft ge¬ lijk met tdlangêrang , en beteekent lett.: in dien toestand geplaatst zijn, dat men eenig voornemen koestert, v. d. met opzet , met zekere bedoeling han¬ delen. (Tar.) Yergel. mijne Makass. Spraakk. § 177. Bijvoorb.: Takoenjdjoehga battoe-battoe , erona-dji koetjini anana Toewang, ik kom met op¬ zet, (i met eene bijzondere bedoeling), gedurig aan ; het is, om mijnheer ’s dochter te zien.

KoenjdjoAengi, a) zich iets voornemen ; b) zijn voornemen ergens toe uitstrekken ; van daar : ergens heengaan, alzoo : niya la-koekoenjdj oengï , = nïyd la-koenriangêi, ik zal ergens heengaan.

\SSSO^ (kêdjoe), bep. kcdj oewa , ’t Portug. queigo , kaas, Mal. en Jav. idem.

\ ✓✓ \ SO (kênjdjé), geeft te kennen eene laagte tusschen twee verhevenheden. (B. idem.) Bijv.: kenjdjéki aganga, de weg zakt als 't ware , d. i- loopt naar beneden, om vervolgens iceer te rij¬ zen. Makênjdjéki tanettêya na-agang toe-Bo- neya ; de hoogten zakken in door de menigte van Bo¬ rneren die er overgaan. (Bap. K. G.) Taoe-kênj- djé , iemand met ingevallen lendenen.

^ SS SO -\ (kêdjo), bep. kedjöwa, Bon- thainsch, = kéya.

'ss SO (ködja), bep. kodjaya, == *t Malei- sche }—►«.> ol xz^-yS', Moor , of Mohammedaan uit Hindostan. Jav. en Boeg. idem.

✓✓ SO (kanjdjappaiig) , soort van schelp (slak.)

Van daar ook , wegens overeenkomst in vorm , de naam eener soort van donderbus. NB. De kanj- djdppang is hierin van de gewone pamdrasd onder¬ scheiden, dat de loop niet geheel rond is, zoo als bij laatst genoemde , maar van onderen plat uit¬ loopt.

✓✓ SO ^ (kanjdjara), dansen. Makanjdjara Malokoe, eene soort van Molukschen dans uitvoe¬ ren. (G. G.)

Pakanjdjara, een dansen ; v. d. si-pakanjdjara boköna, het teas een geraas, als of er achter hem gedanst wierd; d. i. hij had een groot gevolg achter zich. (Madi.) Pakanjdjara, ook gebezigd van een’ zekere manier van slaan op de gdnrang. Ver¬ gel. gdnrang N°. 2.

Pakanjdjari, ergens dansen, bijvoorb.: appa ilaoena (Tambakóla), napamassiki böloe, appa ira- yana napakanjdjari tanroekahg, aan den westhoek van Tambakóla spartelen bóloe-visschen , (vergel. bdssi N°. 3), d. i. : vindt men menigte van bóloe- visch ; aan den oosthoek van Tambakóla, (NB. in Boeloekdempa) , dansen de hertebeesten, d. i.: vindt men menigte van hertebeesten.

SS SO *5\ (könjdjara), bep. kónjdjaraka, verbasterd van ponjaard.

SS SO +7 (1° kadjala), bep. kadjalaka, duur.

(2°. kadjalana), moge; bijv.: kadjalana battoe toewang, moge mijnheer komen ! Kadjalana mate , moge hij sterven! (Tar.)

SS SO +7^ (kanjdjüo), bep. kanjdjilöwa, soort van visch. (Rap.) Kanjdjilo nirotto. Ver¬ gel. róttó N°. 2.

sssO~\*7 (kanjdjoli), bep. kanjdjölika,

35

soort van licht, bij de inlanders in gebruik; wordt gemaakt van een panrardssang , of dun gemaakt bamboesje, waartegen men boomwol (kapasa), met fijn gestampte kamiri-, of sapm-noot heeft aange¬ plakt. Padêhgka-kanjdjöli, een persoon die kanj¬ djóli , eigenlijk de sapiri-noot voor de kanjdjóli stampt, d. i. kanjdjóli' s vervaardigt. NB. Hiermede aan de hoven één slaaf uitsluitend belast. (Bid.)

// -\ S3 "N 'x (kddjoló), bep.: kddjoloka, vermoeid. Bijv.: iya-mi nikódjoló-böngga si-tahga rêyala; hem werd als tware voor het vermoeijen van zijne dijen betaald één halve regaal. (Bap.)

Ampakodjölang, moei maken, vermoeijen.

//4)^A^ (1° kadjawo), bep. kadjawöwa, soort van groot schelpdier, B. idem. Bijvoorb.: mate-tödjeng-mi kadjawo, nakatoAeloehg bêre-bêre; letterl. : hij is werkelijk dood als een kadjawo, waar de mieren zich om heen verzamelen. NB. gebezigd wanneer men bijv. eene groote menigte menschen om het pas gevonden lijk van een’ dief of roover ziet staan. Yergel. katoéloeng. De kadjawo wordt ook wel genoemd sabdngang, dewijl de schelp dikwijls als zoodanig geb. wordt.

(2° kadjawo), soort van geweer, eertijds in ge¬ bruik. (Bap.)

(kanjdjai), bep. kanjdjaïya, soort van lans met een’ ijzeren punt, in den vorm van onze vischhaken.

// (kanjnjahg), = tdntang N°. 1 . Van daar :

koepakanjnjangi kananna, = koepatantangangi, = koepatodj engi , == koepatdntoewi kananna, ik be¬ vestig iemands ivoor den. (Godsd.)

** 'S' (kanji), bep. kanjika, vleugel, vlerk, ook geb. van de vinnen van een visch.

** <2^ (kanjnjihg), wenkbraauw , Maleisch

Boeg. dnning en dnjnjing. Pbké-kanjnjihg, uiteinden der wenkbraauwen van binnen. Appa, of: tjappa, kanjnjihg, uiteinden der ivenkbraauwen aan de buitenzij. Pasimbahgahg-kanjnjihg, de ruimte tusschen de beide wenkbraauiven. Paroen- toekahg-kanjnjihg, lett.: ontmoeting der wenk¬ braauwen, van daar nagenoeg hetzelfde als: pasim- bangang-kdnj njing . Akido-kanjnjmg , de wenk¬ braauwen optrekken. Kadaro-kanjnjihg. Vergel. kaddro.

Sf ^ (koenji) , bep. koenjika, a) geel; = ’t Maleische . Boeg. onjnji.

O 1

b) kurkuma, = ’t Maleische ooy>. Kayoe- koenji , soort van hout, gebez. om geel te verwen.

Garring djené-koenji , geelzucht.

Ni koenji , geel geverwd worden.

Koenji-koenji, geelachtig ; bijv.: êdja-koenji-

koenji, geelachtig rood.

SS «. (kayoe), b. kayoewa, vnw. kayoeng- koe , hout. Jav. en Mal. idem. Boeg. ddjoe; ook dikwijls gebezigd bij het optellen van zoodanige voorwerpen, waarop wij ons woord stuk kunnen toepassen; bijv. bij het optellen van beesten, en insgelijks van stukken lijnwaad. Kayoe-tene, zoet hout. Kayoe-téne Balanda, kaneel.

Kayoe insgelijks benaming voor één van de vier soorten van kaarten bij het omi- spel, hebbende één of meer houtjes of stokjes op het prentje, en gelijk staande met ons klaveren bij het quadrille- en omber-spel. Kayoe poeti, soort van boom: Melaleuca Cajuputi, vooral bekend om zijn olie.

Kayoe-djawa, soort van boom, van daar: amake kayoe-djawa, groen met wit dragen, naar de groene bladen en witte bloemen van den kayoe-djawa boom.

Kayoe-poeli , soort van boom. Vergel. poeh

30

N°. 1. Van daar: amake kayoe-poeli, rood , geel en groen dragen , naar de drie kleuren van de kdyoe- poeli-blocm.

Tope makayoAewa, het linnen aan het stuk. (Eap.)

SS (kiyo), roepen ; bijvoorbeeld: kiyo-

maë, herwaarts roepen , roepen om herwaarts te ko¬ men , ontbieden.

Pakiyd , een roepen ; bijv. pakiyoka sabinna lamboesoeka, het roepen , het tot zich roepen , of trekken , het zich beminnelijk maken , is de getuige van de regtschapenheid , d. i.: daaruit blijkt het, dat iemand regtschapen is. (Eap. K. Gr.)

Kiyökang, roepen voor, ontbieden voor ; bijv.: koekoetanangangi tófewahg, apa are koetaërig, na- kiyökangi kalaoe Iyanoe, napaoAewang-sa Itoe- wang-, nakiyökangai, ik vraag aan mijnheer , ioat het toch is waarvoor, d. i. waarom hij N. N. naar Makassar ontbiedt; en mijnheer zegge mij, waarvoor, d. i. de reden waarom , hij N. N. ontbiedt. (Brief.)

Pakiyökang, a) voor iemand bezigen om te roepen, d. i. bezigen om hem te roepen.

b) laten roepen voor iemand of iets , d. i. iemand of iets laten uitroepen.

c) ergens voor roepen, of uitnoodigen ; bijvoorb. : Apa-mo nipakiyökang? wat wordt gebezigd, om mee te roepen? d. G. waarmede wordt geroepen? d. i. waarmede trekt men de menschen tot zich? (Eap. K. Gr.) - Pakiyökang ri-pasaraka, op de markten laten uitroepen , v. d. een order uitvaardigen. Pa¬ kiyökang agama-Isilanga , de Mohammedaansche Godsdienst laten uitroepen, dat is: doen verkon¬ digen. fya nikana nidjoekoe-lómpo, nipakiyö- kanga , lett. : dal heet een groote visscherij, die ge¬ bezigd wordt, om voor te roepen, d. i. waarvoor ge¬ roepen of genoodigd worden menscheninhet land. (Eap.)

\XX<^( kêya). Kêya-kêya, bep. kêya-ke- yaya, soort van snip, die loopende eene zekere schommelende beweging maakt. B. idem. V. d. : kêya-keyana-badilika, de haan van het geweer. V. d. ook: adjappa takêya-kêya, even als een kê¬ ya-kêya loopen. V. d. ook: akêya-kêya, gebezigd van de beweging van man en vrouw bij den coïtus. V. d. ook: baïnne leba nikeyaï, eene vrouw die be¬ slapen is.

\ XX « -\ (keyd). Akêyó, schreeuwen (ganzen). B. idem.

// "N (1°. köyahg), ’t Maleische t Javaansche rgiumaju rmj\ , een kóyan , maat van 27 pikel’s te Batavia, en van 20 pikel’s te Ma¬ kassar.

(2°, köyahg), = kowdyang N°. 1. (D. Moes.)

xx -\ « -\ (1° köyó) , bep. köyoka, ’t Ma-

. O > Is

leisclie *5 , pleister.

(2° köyd), 'rigdyó, = kaydwo , met dit onder¬ scheid , dat hetgeen waar men naar grijpt , eenig- zins in de hoogte is.

XX \X (kiyama), bep. kiyamaka, ’t Ara¬

bische iLcLo, Opstanding.

XX « -\ ^ '*\ (kiyoró). Kiyöri, bestrooi jen, (Djay.), begiftigen. Pangiyöri , lett. een bestrooi- jen, een begiftigen; van daar: bijdragen in eten of geld voor een feest, bijvoorb.: dsdre pangiyöri. (Eap. K. G.)

Pangiyöri, ook gebezigd van het terug geven van het geld, dat de jonggetrouwde vrouw, aan de vorstin , of vrouw des toe-mailalang’s of glarrahg’s overhandigd heeft.

Pahgiyoriyang, feest, waarbij ieder eene gift in eten of geld mee brengt, tot goedmaking der onkosten. (Eap. K. G.)

37

Kiyörang, ergens over uitstrooien ; van daar: verstrooijen; en ook in een’ overdragtelijken zin ge¬ bezigd van het verstrooiden van menschen. (Rap.)

tjes bevatten, welke, even als de katjang , bdtoró, enz., eetbaar zijn. (Boeg. idem). Canavalüa gla- diata. L.

^ % A

✓✓ (Kayili), naam van een rijkje van

Kara-kara-römang , wilde kdra-kdra.

Celebes. Yan daar: kalêwang-Kayili, soort van kalêwang. Vergel. beneden op kalêwang.

** -\ (kayawo), aangrijpen , grijpen

naar iets, wat maar ter naanwernood onder ons bereik is. Y. d. een greep , behendigheid , han¬ digheid.

Kayawöwang, grijpen voor iemand naar iets , bijv.: kayawówang-sa anjdjo seleka, lett. grijp eens voor mij naar die kris, d. i. : grijp eens naar die kris , en geef mij dezelve aan. Kayawöwaiïg-sa anjdjo rappo-kayoewa, pluk mij eens die boom¬ vruchten.

7/ « O (kiyasa), = kêyasd.

\ SS « O (kêyasa), bep. kêyasaka, ’t Arab. redenering , v. d. : gedachte. (S. Tjin.)

✓✓ ^ (1° kara) , bep. karaka , Boeg. dra, even als de soemdllang , één der twee draden van de schering ( anêya , vergel. dne N°. 1.) Ook al¬ dus genoemd het touwtje of witte garen , dat de kdrd met de pakardkkang verbindt , en haar alzoo van de soemdllang afscheidt, ten einde er de pa¬ hang , of inslag, door te kunnen halen. Paka- rakkang, een langwerpig, rond houtje, dat boven op het weefgetouw ligt , en door middel van xoit garen (kdrd) aan de kdrd vastgemaakt wordt. Men zie boven.

(2° kara), bep. karaka, B. kdrd , naam eener kleine soort van kikvorschen, die de paddie op het veld vernielt.

(3° kara-kara), bep. kara-karaya, soort van plant met ranken en witte peulvruchten, die boon-

(4° karra) bep. karraka, slijm. Akarra, slijm opgeven, schrapen, spuwen.

// ^ (1° karang), ngarang, ’tMaleische zamenstellen , maken , een gedicht bijvoorbeeld, of eenig ander geschrift. Boeg. idem.

A / /

Pakarang sinrili, een sinrili’s maken, v. d. : dichtkunst.

(2° karang), koraalrots. Boeg., Mal., Sund., Jav. idem. Sanskr. khara, kharang , scherp , puntig.

(3° karang-), openen, open maken , losmaken, v. d. : spreiden. Bijv.: karang payoehg, een regen- of zonnescherm openen, open maken. Karang sömba- laka, de zeilen losmaken. Karang kasoré, een matras open maken, spreiden. Karang- katinro- wang, een bed spreiden. Karang djalika, de mat¬ ten losmaken, ontrollen, spreiden.

Karampatömpó, het witte verhemelte, dat van boven, (vergel. tómpo), over de voor een lijk be¬ stemde boelêkang , of draagkoets, is uitgespreid, (nikarang.)

(kari), bep. karika, schrab, kras. Boeg.

kari.

Akari, schrabben, krassen. Takari-kari, idem.

Kariki bêrasaka, = kdrisiki bérasaka, van daar : Nakari-ma itoewang, lett. : mijnheer heeft wat van mij , als ware ik eene maat met rijst, af ge¬ schraapt, v. d. heeft zich ten mijnen koste bevoor¬ deeld, (bijvoorb. bij verdeeling van goederen), is mij vóór geweest, heeft mij eene vlieg af gevangen, is mij een end vooruit, (op de reis bijvoorbeeld).

38

A A , A {

Têyako maringi nikari, laat 71 geene vlieg af vangen.

** ^ (1° karing). Tasi-karing-karing ba- djoe-badjoenna , zijne Meer en hangen aan lappen , (stukken.)

(2° karring), = sdrritilg , hevig , sterk, hard. Timoró karring, hevige of sterke oostmoeson. Ver- gel. timoró. Bara karring , sterke westmoeson. Men zie bard N°. 5.

A A

Karrinna rotiya, het harde of bruine (de korst) van het brood, (het tegenovergestelde van atênna rotiya, het weeke of binnenste van het brood. Ver- gel. dte.)

SS (karroe) , ngarroe , weenen. Ngapa

si-karröe-karroena mami, waarom huilt het zoo

altoos door, lett.: wat is het toch? het is

slechts één weenen maar.

Pakarroe , doen weenen.

Pahgarroe, geween, gehuil.

(kare), bep. karêya, geeft iemand

van goede geboorte te kennen, is echter minder

dan ddëng. Kare-Pole. Aldus volgens den kali,

of Opperpriester van Gówa, genoemd d eanroiiggo'e-

roe-padédeka , of het hoofd der goudsmeden , die de . *■*

_ , /•

eerste djingard, of dinar d heeft geslagen.

✓✓ \ (kanre), bep. kanrêya, (vergel. kddó N°. 1), eten, rijst. Boeg. indnre. Djéné-kanre, rijst-water. Kanre-Djawa, koek, gebak. Kanre-

/-w/ .

koenji, rijst met klappermelk en een iceinig zout, die men door middel van kurkuma (koenji lett. b.) geel gevenod heeft. Kanre-kanre, spijs.

Akanre, nganre, anganre, maiïganre, eten , w.w. Boeg. dnre, mdnre. Nganre-daniyari , met het aanbreken van den dageraad eten, gebezigd van ’s morgens te vier ure in de vasten maand, als wan¬

neer men gewoonlijk eene goede maagversterking neemt ; v. d. ngdnre-daniydiri dikwijls gebezigd om te kennen te geven, dat men vast. Sêsa-ma-

. , | , »•* sf

nganre, = sésa mdkddó. Men zie op.- Kddó N°. 1.

Toe-manganre gadji , iemand, die als ’ticare loon

eet, d. i. verdient, d. i. voor loon ergens dient, alzoo:

een vrije bediende, in tegenstelling van.- pandeling

( toe-mdnginrang ), en slaaf (dtd). Akanre ilalang,

inwreten, bijvoorbeeld van kanker gebezigd. /

Akanre soms gebez. van het uitwerking doen van een geneesmiddel, lett. eten, v. d.: effect doen. Akanre-pêpeka, lett. : het vuur verslindt; van daar : er is brand. Nakanre pêpé ballana Iyanoe, of: Ballana Iyanoe, nakanre pêpé, het huis van N. N. staat in brand; letterl.: het huis van N. N. wordt door vuur verslonden. Anganre poesaka riyanoe, eene erfenis voor N. N. eten, d. i. in ontvang ne¬ men. NB. gebezigd van een’ gevolmagtigde. Kanre-lêkoka , lett. het blad, of de sierih, eten, hetzij geheel of een stuk daarvan, van daar gebe¬ zigd, om zon- en maansverduistering te kennen te geven, bijv.: akanre-allowi lêkoka, lett.: het afne- men van een stuk heeft plaats bij dag, d. i. het is eene zonsverduistering. Akanre-bangi lêkoka , het af nemen van een stuk heeft plaats bij nacht , d. i.: het is eene maansverduistering . Tanakanrêyai baïnne, lett. eene vrouw eet niet, d. i. eene vrouw heeft geen deel aan de winst, noch aan het verlies van haren man. (Bap. T. Dj.)

Anganre, eten, ook o verdragtelijk gebezigd voor: beboeten. Anganre bawaiig, te onregt be¬ boeten. (Kap. K. G.)

Boelaëng kanre-pöle. Men zie op: boélciëng.

Pakanre, doen eten, spijzigen; v. d. taoe-nipa- kanre, lett. iemand die gespijzigd wordt, v. d. iemand

30

die ergens enkel voor den kost werkzaam is. (Inl. wetb.) Pakanre nawa-nawanna , zijn gedachten laten eten , d. i. : laten werkzaam zijn. (Eap. K. G.)

Nipakanre djéné-awoe, palêyó kalótoró, enz., lett. : gespijzigd worden met , d. i. vermengd icorden met aschwater, drooge kalk , enz. NB. bijvoorbeeld gebezigd van indigo. Boelaëng maring nipa- kanre-pole , = boelaëng kdnre-póle. Men zie boven.

Pakanrêyangi, iemand voorzetten om te eten; bijvoorb.: anjdjo bembêya nipakanrêyahga, die geit wordt mij te eten voorgezet.

Pikanre, lett.: doen eten , doen verteren; v. d. pikanre soempa , lett. : vervloeking laten eten , d. i. met vervloeking treffen, d. i. vervloeken.

Panganre, een eten ; v. d. : beboeting, boete. Yer- gel. pakado op : Tcddó N°. 1. (Eap.)

Sikanre, elkander eten, verslinden. Van daar: sikanre matangkoe , mijn oogen sluiten zich; lett. de oogleden verslinden als ’t ware, d. i. maken on- zigtbaar het overige van de oogen. Sikanre-teté , digt bij, vlak naast elkander zijn, bijv.: sikanre- tété-ki ballaka, de huizen staan vlak naast elkander.

Amêmpo sikanre-tetéki , zij zitten vlak naast , bijna op elkander. Yergel. tété N°. 2. NB. Deze spreekwijze welligt in dezervoege te verklaren. Men is zoo digt bij elkander, dat men elkander let- terlijk raakt , {tété N°. 2) , en het is als wilde men elkander opeten, {sikanre.)

Kanrêyang, lett. als ’t ware eting, v. d. eten; bijv.: badjiki kanreyanna, lett. goed is de eting er van, d. i. het is lekker om te eten. NB. badjiki kan- rêna, zou eenigzins dubbelzinnig zijn, zou ten minste insgelijks kunnen overgezet worden met: zijn rijst is goed, d. i. smakelijk. Kódi kanre¬ yanna, slecht om te eten, soms overdragtelijk ge¬

bezigd van eene vrouw, met wie men den coitus niet verkieslijk acht. Zoo bijvoorbeeld van eene vrouw met biberé of poerdssi toldsi. Men zie vooral op toldsi. Kanrêyang- êdja, lett. rood eten, v. d. soort van visch: roode kaalkop.

Sikanrêyang, zameneting , in zameneting zijn, in zulk een positie verkeer en, dat bijvoorbeeld een wa¬ pen als 7 ware van ons vleesch verslinden, d. i. ons raken of treffen kan; d. i. onder het bereik daarvan zijn, bijvoorb.: sikanrêyang badili, of: manyahg, onder het bereik van een geiceer of kanon zijn.

Panganrêyang, in het algemeen: plaats van eten, v. d.: een tafel, een schotel, eene weide voor buffels en andere beesten. (Inl. wetb.) Pangan¬ rêyang ook geb. voor het vruchtgebruik van iets.

Sipanganrêyahg , zamen eten, bijv. uit één schotel, aan één tafel.

Akanre-kanre, snoepen. NB. niet in den zin van stilletjes eenig eten weg nemen, maar in dien van wat lekkers eten, dus als ’t ware slechts iu schijn eten. (Vergel. over deze verdubbeling mijne Makass. Spraakk. § 166, 3°.

Kanre-kanrêyang, een snoeperijtje, een lekkernij, die eigenlijk niet den naam van eten verdient.

Pakanre-kanre , een snoeper , iemand die veel van zidke snoeperijtjes houdt.

Pitikanre-kanrêi, nu eens van dit, dan eens van dat snoepen. Ook overdragtelijk gebezigd van veel¬ vuldige en willekeurige beboeting. (Inl. wetb.) Ver- gel. mijne Mak. Spraakk. § 166, 2°. en 3°.

// ^ -\ (1° karo). Karo-karo, zich haas¬ ten, schielijk, in de haast. Baribasa-karo-karo (Mal. van Makassar : pagi-pagi lakas), zeer vroeg in den morgen.

Karo-karówi, iets haastig doen.

40

(2° karrd) , bep. karroka, ligt groene reiger met langen bals en snavel, aldus genoemd wegens ’t schreeuwen van karró. Men zie: gdrró N°. 2.

(3° karró-karró),bep. karró-karroka, keel, strot. (Rap.) Bijv.: tappöe-karró-karróki toe-mabitjaraya, de regter is met een doorgesneden strot, d. i. zoo goed als niets meer waard. (Rap. K. G.) B. tigarro.

(4° karró-karró) , knarsen , knappen, bijvoorb. geb. van onrijpe mangga-vrucht onder het eten.

(5° karró), bep. karrówa, soort van hofgezang bij geboorte, besnijdenis, enz., afkomstig uit Loe.

(6° karró), bep. karrowa, geschonden, heilig¬ schendend; bijv. : karro-mi poewasaya , de vaste is geschonden. Harangi, makarro töhgi, het is ver¬ boden en heiligschennis. (Kei.)

-\ (karong), soort van vrucht, = drró- drró N°. 2. (Dat. Moes.)

SS (1° kanro), nganro, anganro, aan¬ roepen, smeeken (God.)

Panganro, het bidden.

Kanrowang, panganröwang , a) bidden voor iemand, v. d. iemands voorspraak zijn. (Inl. wetb.)

b) bidden tegen iemand; kwaad van den Hemel af smeeken tegen iemand. Ta-lómo-lomówai, pönna nipanganrowangi , hij zal het moeijélijk te verant¬ woorden hebben, zoo men God smeekt, dat hem kwaad wedervare.

(2° kanro), nganro, = koenrdring, kermen, v. d. : nganro-njawa, nganro-toeboe, lijden naar lig- chaam en ziel.

■m. A A

SS* (kira), akira, meenen. Mal. en Jav. idem.

A A

Kira-kira, a) ongeveer .

b) naam eener soort van boom, met groote

vrucht, die verscheidene juist in elkander pas¬ sende pitten of noten bevat. Zulk eene vrucht soms op tafel gezet en al de pitten door elkander gegooid, als wanneer de kunst hierin bestaat, om die weder precies in elkander te doen sluiten ; van hier welligt de naam van kira-kira.

Akira-kirai, iemand lagen leggen. (Rap. T. Dj.)

Sikira-kira, elkander belagen. (Madi.)

SS* 5^ (kiri), akiri, met gesloten mond de tong bewegen , en alzoo een smakkend geluid voortbrengen, ten teelten van afkeuring, = dkoeroe N°. 2.

✓/ «5^ (1° koera), bep. koeraya, ’t Maleischo en Javaansche koera-koera , landschildpad. Kanrc- djawa koera, soort van Inlandsch gebak, in den vorm van een schildpad.

(2° koera). Ngoera, of mangoera, Bonth. en Saley. = ngdpa, of mdngdpa. Mangoe-mangoe- rai, = ngdpa-ngdpaï. (Mudi.) Ta-nikoerai, = ta-niydpa-apaï. Yergl. dpa N°. 1 en dlo N°. 2.

SS ^ (koerang) , minder, ontbreken, te kort komen , te weinig zijn. Boeg., Mal., Sd., Jav. idem. KoAerahgi djeneka, er is te weinig water, komt water te kort.

Koerang'i, verminderen. Koerangi ri, korten van; af doen van; aftrekken van. Koerangi kana nisoeröwangai, verkorten, d. i. af doen van, de bood¬ schap die hem is opgedragen. (Rap. K. G.)

Kakoerang-ang-, behoefte.

in behoeftige omstandigheden zijn; v. d.: ka- koeranganga, ik ben in behoeftige omstandigheden.

Kakoerangi, ergens vermindering, d. i. schade bij lijden. (Rap. K. G.)

// ^ (koerihg). AkoAerihg-koAering, treuren om, verlangen naar. (Sinr.)

// ^ (1° koAeroe). AkoAeroc-koAeroc, iemand

41

met zamengetrokken wenkbraauwen donker en scherp aanzien , zoo als bijvoorbeeld een bijziende doet, die zich moeite geeft, om iemand te herkennen.

ëhga anggaoekangi gade; na-tabahgkahgi taoe- djai; koepakohrroe-soemahgako si-kayoe têdong leleng, zoo de vorst iets doet , ivaardoor het volk

(2° koerde), = kin.

(3° kdbrroe), geluid, dat men maakt om de kippen te roepen , Boeg. karro'e, v. d. : akoerroe soemangana, iemands soemangd (of lijzonderen le¬ vensgeest), men zie op: Soemangd, roepen, hetzij

9

om te voorkomen , dat die wegvliege , hetzij om te maken, dat dezelve terugkeere, wanneer hij reeds weggevloden is. Zoo zegt men bijv. : koerroe soe- manganoe, anakoe, roep uwe soemangd, mijn kind, te weten : opdat dezelve niet ontvliede. Deze woor¬ den gebezigd jegens een kind, dat er bijzonder lief uitziet; dewijl men vooronderstelt, dat de booze geesten zoo veel lieftalligheid met nijdige oogen moeten aanzien, en er dus op uit zijn, om zulk een kind , waar zij slechts kunnen, kwaad te berokkenen. Derhalve geeft men met deze phrase ingewikkeld te kennen, dat het kind een bemin¬ nelijk voorkomen heeft ; en het is in de oogen van den Inlander verkieslijker, om dit op deze wijze aan te duiden, dan ronduit te zeggen: tjapddé-pd- dé-mdmo, of dergelijke, (men zie beneden); vermits dit de nijdigheid dier geesten ligtelijk nog meer gaande zoude maken.

Apako'erroe soemanga , iemand met bêrasd rdgi- rdgi en bênte-dse, (men zie beneden op: lente en rdgi,) lestrooijen, om zijne soemangd te roepen , te weten: opdat dezelve niet vliede. NB. Dit ge- schiedt ten opzigte van bruigoms en van alle hooggeplaatste personen, wanneer men hen ver¬ welkomt, uit vreeze dat de booze geesten uit wan¬ gunst op hun geluk of hun’ hoogen rang hunne soemUngd zullen doen vlieden. Na-poAenna kara-

schrikt , bezig (d. i. offer) ik één zwarten biffel, om de door de schrik reeds weggevlogeri (of: op het punt van weg te vliegend) soemangd terug te roepen. (Hap. K. Gr.)

Papak oerroe-soemanga , lett. een oproepen van de soemangd, v. d. een middel tot bewaring van de soemangd, v. d. een geschenk in kris of piek, of an¬ dere dergelijke dingen bestaande.

K derroe-koerroe djangang, naam van zeker lied, voor kleine kinderen te zingen.

// ^ (1° koeroeng) , ’t Mal. ’t Boeg.

o'eroeng, opsluiten ; v. d.: koero'engang , kooi, hok (beest), Boeg. oeroengdng, bijvoorb. koerohhgang djangang, kippe-hok.

(2° kohroeng), gedeelte van een schip, te we¬ ten : de ruimte onder de boekkóe. Men zie op bdek-

kóe N°. 3.

(3° koeroeng), digtmaken, bijv.: een regen- of zonnescherm.

A

\ ✓✓ ^ (kêri), bep. keriya, soort van tim¬

merhout. Kêri-tanroe, en: kêri-bayawo, soorten van kêri.

A

\ SS ^ (1° kéróe) , af schrapen , schrappen , uitkrabben, raspen, B. kdri, bijv.: kéroeki paka-

ianjrijïng' , af schrappen en schoonmaken het een of

0 y /

mder. Vergel. het Maleische schrabben ,

\r alben.

A ^

Pakeróe, soort van rasp. B. pakdri.

(2° kêróe), betooveren. B. éro'e. Kêroe ri-rappo-

didiya, door middel van de gele pinang, of anders de olij daarvan, het hart van een meisje betooveren, of op zich doen ver lieven.

G

/&

\ ss fé,. (kêroeiïg). Kêroeng-kêroeng , ge¬ meenste soort van viscli. B. gêroehg-gêroeng . V. cl.: pakanre kêroeng-kêroeng, een zeer arm mensch, letterlijk : iemand die kêroeng-kêroeng eet.

\ SS ^ (1° kêré), iïgêré, fijn snijden, ker¬

ven, in moten snijden (bijv. : visch). B. gêré. Bijv. iïgêré tambako, tabak fijn snijden, kerven. (Dat. Moes.) Kêré roekoe, = polohg roekoe , gras snijden. Sikêré, bep. kêreka, één moot ( 'visck bijv.). Pakerêkahg, of: pangerêkang, machine om pdndang -bladen fijn te snijden, bestaande in een regten stok, die op een voetstuk staat, en waarin zich eene ronde opening bevindt, om het pan- dang-blad door te steken, hetwelk alsdan met het mes wordt afgeschraapt of gekorven. Dat fijn ge¬ maakte pandang-blad met geurige bloemen ver¬ mengd en tusschen de kleêren gelegd.

Kêré-kêréboko, lett. zijn rug als Hicare snijden ; v. d. zijné handen van achteren op zijn rug houden.

Pakêré-kêré, bep. pakêré-kêreka , zaag , lett.: werktuig om als ’t ware fijn te snijden , werktuig dat dient om iets te verriyten, dat veel overeenkomst heeft met fijn snijden.

(2° kêre), kêre-maë, waar? wat voor? icelk? B. kêgi, bijv. kêre, (of: kêre-maë), pamantanganna ? waar is zijn verblijf? Battoe kêre-ko-maë P waar komt gij van daan ? Lampa kêre-ko-maë ? waar gaat gij heen ? Kêre-maë sahggênna noepalêm- ba ? tot hoever hebt gij gecopiéerd? Kêre-rewasa, op wat voor tijd? wanneer? verg. ’tMal. JuaïI, za- meng. uit cjif-f- <J-u. Kêre pakêyahg koepakeï? wat voor kleed zal ik aandoen? (Madi). Verg. t Mal. Kêre-mo allo mabadji kipalam-

A

pang? wat voor dag is goed, om op te gaan? ver- gel. ’t Mal. ^jLo. (Djay.) Kêre-mo ook soms gebr.

voor: siyapdya-mo, wanneer. Kêre-kêre-maë , waar ook. Takêre-takêre , nu eens , dan eens. (Brief.) Kerêyang, kerêyahg-maë, waar? wat voor ? welk? Balla kerêyahg-a kipamantangi ? welk huis bewoont gij?

\SS\^ (kêreng), toegkrabbelen , gebezigd van een hoen, dat de aarde met zijne pooten weg¬ krabbelt. (B. idem.) Y. d. overdragtelijk : akêreiïg- rompong , op den veertig sten dag na de geboorte van een kind, het schenkblad wegnemen, dat m,en terstond na de bevalling in de kraamkamer gebragt heeft. Welligt lett.: datgeen wegnemen, waaraan men zien kon , dat er een kraamvrouw teas. NB. op dit schenkblad bevinden zich: bênte dse en bérasd- rdgi-rdgi, alsmede: eene aangestoken kanjdjoli in een mandje, voorts water in een’ goed met pisang¬ blad digt gemaakten pot; eindelijk: een pot met de nageboorte. Akêreng dówé, weggrabbelen, grab¬ belen naar duiten , die men bijv. op den grond gooit. Akêreng dj ené matanna, zijne tranen weg of afwisschen. (Dat. Moes.) Pangerëngang , het zand, dat bijv. door het krabbelen van een hoen is bijéén gebragt. Padjala pakêreng-kêreng , vis- schers die den visch uit hunne netten halen, lett. doen als een haan, die de aarde met zijne pooten wegkrabbett. (S. Tjin.)

\SS^^s (1° keró), hoozen, uitscheppen. B. idem. Keró, pakeró, bep. pakéroka, een timba, een putemmer.

. A ^

Keró timba. Men zie timba N°. 1. Keró lodjohg. Men zie lódjony N°. 1.

Kérokahg, plaats in een schip, waar gehoosd wordt, zijnde bij de toembald’s.

Djéne-keróna sawiya, lett. het waterhoozen van de matrozen, = roydna sawiya, en gebez. van de

belooning voor hun arbeid aan boord (NB. misschien

het gemak, soort van ziekte onder Inlanders niet

ook letterlijk de intrest van hun hoozen.) Verge!.

djénc-oewang en dje'ne-bdnri.

vreemd en zeer gevaarlijk.

(3° djangahg köro), bep. koröwa, een haan

(2° ködi-kêro), of: kêro-doAedoe, wrevelig , knor¬

welks kleur groen met ivit is , of ook: zwart, geel en

rig , ligtgeraakt.

wit. B. idem.

Ködi-kerówi , wrevelig , knorrig , ligtgeraakt zijn

1 )j angang-köro- boe wa-tala, een haan welks kleur

jegens iemand , of wegens iets.

geel met zwart is, naar de vrucht van den tdld-boom.

SS "\ ^ (1° köra). Taoe-köra-kora, bep.

Men zie op tótóN0. 1. NB. vreemd dat men niet het

kóra-koraya, geb. van iemand, wiens lijk niet,

Makassaarsche rdppo-tdld, maar het Mal. bo'eica-

zoo als naar gewoonte, tot ontbinding overgaat,

tdld bezigt !

maar geheel uitdroogt , terwijl de nagels hunne

Taripang-köro, witte klip-tripang .

groeikracht behouden. NB. de Inlanders vertel¬

SS ^ (1° köroiïg), Saleyer. en Bonth.

len, dat dit soms plaats vindt. Men denke hierbij

K

oering , pot (rijst.) Tinó-körong , soort van

aan den grafkelder te Bonn. Taoe-köra-kora,

vogel. Men zie op tinó.

ook geb. van iemand, die door ouderdom als

(2° körong ,) een dam om het opgeschepte zout¬

’t ware geheel uitgedroogd , kindsch geworden is.

water in de koelpanneu te brengen.

NB. zoo iemand doorgaans onschadelijk gemaakt

(1° könro), bep. konröwa, de

door hem achter in huis , even als een beest , tus-

borst van een beest.

schen eene bamboezen omheining in te sluiten.

/

Nabölima aköra-köra, lett. hij laat mij als ’t ware

(2° könro), akönro, mokken, een wrok koes¬ teren.

geheel uitdroogen, d. i. neemt geene notitie meer

Konröwi, mokken tegen iemand.

van mij. NB. klagt eener vrouw over haren

SS ^ ss (karakka), Saley. = bardmbang.

man.

SS ^ /✓ (karangkahg) , vele dingen te gelijk

(2° körra-körra) , bep. körra-korraya, soort van

in zijn vuist nemen.

vaartuigen, vroeger, vooral bij de hohggi-togten

ss ss (karoengkoeng) , masker. - Ka-

in de Molukko’s gebruikt.

ss~\*^ (1° korang), Koran, Arab.

= kor dwang.

(2° korang), het colon transversum, of dik ge-

roengkoeng köngkong, een masker dat een 5 hond voorstelt. Amake, of: antama ri-karoengkoeng,

een masker aandoen.

SS ^ // SO (karakadji). Men zie garagddji.

darmte.

SS fS SS SO (karangkidjang), = tarangki-

SS <5^ "\ (1° köró), mahgöró, gelijk snijden

djang. (D. Moes.)

glad snijden met een mes. (G. G.) B. górd, idem.

✓✓ ^ Kit (koeraga), bep. koeragaya, list, be¬

Mahgöró-öró, snijden, bijv. bloemen en derg. uit

drog. Boeg. oerdga.

papatjéda. (Rap. K. G.)

Koeragai, iemand bedriegen, v. d. een meisje la¬

(2° garrihg-köró), bep. köroka, inkrimping van

gen leggen, hare eer rooven, bijv. anjtljo toewanga

G *

u

eróka nakoeragai, die heer wil mij lagen leggen, \ mijne eer rooven. Pakoeraga, een bedriegen.

SS ^ AJ SO (karagadji), = garag ddji.

SS ^ aJ (kanrapang), Sal. = paMtto, pad- diemesje.

SS ^ Aj (karappóe), akarappoe, knappen, knarsen, v. d. iets hards dat knapt, zoo als beschuit, stó bijten. B. mdgarappo'e. Akarappóe-gigi , knarsetanden. Mate-ko, mate koekarappoe. Men zie op mate. Bóyó karappóe. Men zie boy 6. Taïpa-karappo'ekang, lett. knappende mangga-vrucht, d. i. mangga, die nog zeer hard en alleen gestoofd, eetbaar is; v. d. o verdragtelijk : een zeer jong meisje.

SS ^ \ /O (karappe), bep. karappêya, soort

van leêren patroontasch of ransel. Boeg. karappe.

^ /

SS % ✓A (kanroepi) , bep. kanro'bpika , zak of zakje van lontarbladen , waarin men bijv. dse-lólo bewaart.

ss \ ^ ✓A (karêpoe), bep. karêpoeka, rim¬ pelig, grof , leelijk. B. idem.

ss \ ^ \ AJ (karepé). Men zie répé N°. 2.

SS ^ \ ✓A (karöpeng) , bast van de kapas-

vrucht.

SS "v \ sj) (kanröpeng), omhulsel der bóm- bong. Men zie bómbong.

SS <5\-\ <A 'N (1° karóppó) , bep. karöppoka , = het Javaansche (mq *ggp , het binnenste vleeschachtig gedeelte der buffelshuid, dat ge¬ droogd en in olij gebakken, als lekkernij bij de rijst gegeten wordt.

(2° karóppó), bep. karóppoka, verdorde bladen. Wegens het ligt beweegbare worden zulke bladen ook wel geb. als zinnebeeld van onbestendigheid, en veranderlijkheid. (Tar.)

SS \ ^ <A (koenrêpa) , akoenrêpa , soort van kinderspel, voor kleine meisjes. Deze zitten daarbij op de hurken, en met de handjes nevens den schoot. In deze positie moeten zij even als kik- vorschen in de hoogte springen.

SS A*\/o\ (karang-patómpó). Men

# _ ,

zie karang N°. 3.

✓✓ ^ (karampallang), tegengehouden,

terug g ehouden , opgehouden, belemmerd , gestuit wor¬ den door iemand of iets, bijvoorbeeld: Karampal- lang-ma, napakammai toewang, ik ben terug gehou¬ den door mijnheer. Karampallangi djambangkoe, mijn naar de beste kamer gaan wordt tegengehouden ; d. i. ik heb geen stoelgang. Karampallangi nap- pasakoe, mijne ademhaling wordt belemmerd , d. i. ik kan geen adem halen. Karampallangi djeneka, het water wordt gestuit. Karampallangi baliya, de vijand wordt tegengehouden , belet om te vlugten, is ingesloten.

ss \ ^ ✓o ”\ \ (kare-póle). Men zie kdre.

ss (karampasang), bdssoeng. Ver-

gel. het Arabische

SS ^ X (karaba), bep. karabaka, takkebos.

SS ^ X (karambang). Men zie rdmbang.

SS ff X (karaboe), bep. karaboewa, ’t Mal. oorkrab. Ngang-ala-karaboe. Men zie ngdngald.

ss X (karamboe), bep. karamboewa, Saley. têdong. Boeto-karamboe, kruik, letterlijk H menbrum virile van eeri buffel.

SS ^ \ X (karabé), akarabé, krabben, een kat bijvoorb. Apa anjdjo kara-karabé? wat is dat voor gekrab (geritsel) ?

Sikarabó, elkander krabben.

ss \ X (karêba) , bep. karebaya , berigt ,

tijding, nieuws. Mal. -Ai». Pakarebang , kennis geven aan.

A A

✓✓ (karóba), bep. kardbaka, 'pokdalig.

SS -\ ^ -\ X (kóroba), bep. korobaya. Aldus op Celebes, zoowel onder Makassaren als Boegine- zen genoemd de offerhande op den 10den van de

maand ö. Welligt verminking van ’t Arab.

i"0.’

tenzij men te denken hebbe aan ’t Arab.

- > >

20 yjé , godvruchtige handeling , icaardoor men als t ware nader tot God komt.

ss (1° karibdbo) , bep. karibo-

bowa, af val van de kapas bij het lólisi, gebezigd tot het maken van kanjdjoli. Men zie kanjdjoli. Niya-mi kariboböna, lett. er is al wat vuiligheid aan , d. i. zij heeft al iemand die op haar verliefd is. Gebezigd van jonge meisjes , zoowel als van we¬ duwen.

Karibobowang , vuiligheid in zijn oog hebben. Nikaribobówi, van karibóbo gezuiverd worden. (2° karibobd) , vol gaten zijn, bijvoorb. : hout, bamboe, iemand’s ligchaam van wege zweren.

SS \ <5^ \ \s (karêmeng) , vinger. Si-karê- meng, één vinger breed. Karêmeng-bangkeng, teen. Samboeng-karêmeng. Men zie: sdmboeng.

Pólohg kare-karêmehg, aan snippers snijden, bij¬ voorb. lame.

SS *^\S (koerammoe), bep. koerammoeka, groote soort van kwartel, die men op Java wel laat vechten.

✓✓ ^ \s (korómma) , bep. korommaya,

o »

(H7) (EU \ .

% % t / / SS ^ \S \S O (karoemimisi), = koemi-

/

mist.

ss ^ \s si (karimanang). Karimanangi,

medelijden hebben met, v. d. zich ontfermen over; v. d.: sparen, ontzien. Bijvoorbeeld: karimanangi karaënnoe, kenahg, spaart uwe vorsten, vergiet geen vorstelijk bloed, o! menseken ! N.B. vermaning, die men den soldaten bij het begin van den strijd toe¬ roept. Men zie ook op tóetoe N°. 1 en palid N°. 5.

Pahgarimanahgi, verzorgen, koesteren (Djay. Rap. Godsd.) Pangarimanahginna Iyanoe ri , ’t zorgen van N. N. voor (Rap. K. G.) Tampa- hgarimanangiyai , het niets sparen , (te weten: voor den vorst.) (Rap. K. G.)

SS O (karamasa) , bep. karamasaka ,

soort van boompje, welks bladen in de geneeskunst gebruikt worden.

ss ^ \s O (karamoesöe) , krabben, een kat bijv.), kardbe.

Sikaramoesoe , = sïkarabé, elkander krabben.

Pitikara-karamoesi, in het dolle, in het onzekere, naar iets krabben of grijpen.

ss \*^s*\ (1° karêta) , bep. karetaya, wagen. Jav. en Mal. idem. Port. Carreto. Tjinjtjihg in- tang-karêta, (men zie tjinjtjing), ring , er uitziende als een wagenrad, omzet met diamanten.

Si-pakare-karetahgi, het is een wagenrid, d. i. het is de moeite icaard, met een wagen daar naar toe te rijden.

(2° karêta), bep. karetaya, Sal. = bótoró, soort van zwarte boontjes.

S" d

ss*£ss\ (koeratoe), ’t Arab, , slaat, stad. (Tar.)

m A ,

ss*ïss\ (1° koerita), bep. koentaya, soort van visch.

(2° koerita), bep. koeritaya, kinderbuikband. Mal. van Mak. idem.

SS ^ s\ (koerótohg-), gemeene soort van

4G

visch, leelijk, zwart, gespikkeld. Wanneer men die eet, krijgt men, volgens het zeggen van den In¬ lander, al ligt vlakken op het lijf; v. d.: pakanre koerötong, iemand die koerótong eet , als scheld¬ woord gebezigd tegen een vuil mensch. (Kei.)

(karoentigi) , bep. karoentigiya , soort van bloem : Lawsonia alba L. De bladen der karoentigi gebezigd om de nagels van handen en voeten rood te verwen. Amata-mata karoen- tigi. Men zie op mdta N°. 1.

\ ss \ ^ s\ ^ O (keretarisi), bep. kereta- risika , verbastering van het Hollandsche Secretaris.

SS ^ O (karattasa), bep. karattasaka, 'papier. Boeg. karattasa , Mal. ywJ^Xjav. afn'asniMjp , Arab. van het Grieksche /aQTTjg , het

Lat. Charta.

Djarang djampi-karattasa. Men zie djdmpi.

ss ^ s\ O (karatoesa) , bep. karatoesaya , kardoes.

SS ^ Sl\ (karana), bep. karanaya, ’t Malei- sche reden, wegens. Jav. en Sskr. idem. (Dat. Moes.) Karana Alia, om God’s wille. Aka- rana-Alla, om Gods wille iets doen, bijv.: akarana- Alla-saki rinakke, doe het eens om Gods wille voor mij. (Djay.)

SS \^S^s (karêna), bep. karenaya, spel. Karêna-dóbold, bep. karêna-dóboloka , lett . ver¬ dubbeling spel , v. d. vingt et un. Akarêna, spelen , v. d. ook gebez. van het dansen der prinsen en prinsessen aan de hoven. Akarêna padang, schermen. Akarêna ewangahg-paboendoekahg , oorlog s-wap enen hanteren. (Djay.)

Kare-karenang, spel, uitspanning , voonoerp van uitspanning , speelgoed. (Djay.)

Pakarêna, speler , vorstelijke danser of danseres-

Böeyang-pakarenahg , speelkaarten.

SS ^ "v -"O *"0 (karotjitji) , bep. karotjitjika, kroes , gekruld. Gebez. van haar.

SS ~\ ^ -\ (korotjatji), bep. korotja-

^A

tjiya, kleine dartele zwart- en kroesharige duivel¬ tjes , die echter, volgens den Inlander , geen kwaad van eenig belang kunnen doen.

SS^SO (karadja), bep. karadjaka, ’t Ara¬ bische tol, belasting. (Rap. K. G.)

SS SO (karanjdjing), mand. Boeg. en Mal. idem, Jav. ^nyfrt \ .

SS <5^ (karanji). Men zie rUvji.

% A A

SS << (kariyoe), bep. kariyoeka, nachtuil. Kariyoe kapappasahg. Yergel. pdppasd N°. 1.

ss <5\ (koeriya) , bep. koeriyaka , schilfer

o f.

op het hoofd. Mal. ó\«j.

ss «> // (kariyakkaiïg). Men zie op riyd N°. 2.

SS\^ A. (kareyango) , bep. kareya- ngowa, Acorus Calamus L. De wortel daarvan goed middel tegen buikpijn.

SS (karoenroeng), ’t Mal. kadondong ,

de Poupartia dulcis BI., soort van boom, welks bladen en vruchten eene geneeskundige kracht hebben.

✓/ ^ "\ ✓✓ -\ (karórd), = ’t Mal. karong , eene stof die vervaardigd wordt van de draden of vezels in het blad van de koewald. Yan deze ka- róró maakt de Inlander zakken , ook wel zeilen , hetzij tot afwering van de zon, hetzij voor zijne praauwen, enz. B. idem. Yan daar: goeloehgi ka- róroka, de zeilen oprollen; panaïki karóroka, de zeilen ophalen; sobhgkei karóroka , de zeilen open¬ maken of ontrollen ; panaoengi karóroka , de zeilen laten vallen of neer doen.

47

// ^ ^ (koenraring), akoenraring, Hagen , hermen.

// ^ (1° koenroeloe , bep. koenrocloeka,

soort van komkommer.

(2° koenroeloe), langzaam voortgaan , bijvoorb. iemand’s «^4.

// "\ ^ ^'5' (konrali) , touw , waarmede de batdkang aan de ay oka wordt vastgemaakt.

// <5^ ^ (karawa). Men zie rdwa N°. 2.

>v ./N/\ (karoewa), Sal. = ’t Boeg. aroewd,

.•o

= het Mak. sagantoedjoe , acht.

ss \ (karoeweng) , namiddag. Boeg. ar awing.

Karoeweng-karoeweng , alle namiddagen. Mal. van Mak. : saban-sorei. Karoe-karoewtng , van middag , nog onzeker op welk uur. Mal. v. M. sorei- sorei. Ri-karoewenga , in den afgéloopen namid¬ dag. Anne karoewenga, thans, dezen namiddag. Karoewëng-pi, aanstaande namiddag.

SS 'N (koröwang), = korang N°. 1, Koran.

% % % A

✓/ ^ ^ O (kariwisi), haten. (Lalakoeng.)

% % A ^

// O (karoewisi), haten, kariwisi.

SS "\ ^ 'N O (korowisi), bep. koröwisi- ka , ons woord : kruiser, door de Inlanders gebe¬ zigd niet alleen van onze kruispraauwen , maar ook van andere Europesche oorlogsvaartuigen.

SS ^ O (1° karasa), bep. karasaka. Pa- pangadjaïyang-karasa , groote soort van beteldoos.

(2° karrassa) , bep. karrassaka, gebezigd van alle personen en zaken , die indruk maken , ontzag of vrees inboezemen, bijv.: karrassa-tjimkangi , hij heeft een imponerend voorkomen ; geb. van iemand, die zwarte wenkbraauwen en zware bakkebaarden heeft. Karrassaki Iyanoe , NN. boezemt ontzag

of vrees in. Voorts komt kdrrassd zeer dikwijls voor van alle personen en zaken, waarin de In¬ lander meent, dat de een of ander onheil-aanbren- gende geest woont. Wanneer bijvoorb. een heer zijnen jongen, wegens slecht gedrag, verwenscht, en deze kort daarop eenig onheil ondervindt, zal hij van hem zeggen: mijnheer is kdrrassd; of wanneer bijvoorb. iemand ziek wordt, na onder een’ boom geslapen te hebben, zoo noemt hij dien boom kdrrassd; of wanneer in een huis dikwijls lijken zijn, heet zoodanige woning kdrrassd; of wanneer iemand met veel ongeluk te kampen heeft, wordt hij kdrrassd genoemd, zoo spreekt men bijvoorb. van: and kdrrassd; wij zouden zeg¬ gen : een ongeluks-kind. (Djay.)

m A A

SS (1° karisa), bep. karisaka, stekelig ,

ruig , ruw, bijv.: een baard, die in lang niet ge-

A

schoren is. Karisa-mi, gebezigd van een paard, welks haken nog slechts eventjes uit zijn. Vergel. ldttang-mi en ndrroesóe-mi op lattang en tdrroesoe.

Taoe dj ai karisana, iemand die veel heeft dat steekt , d. i. iemand die veel op zijn geweten heeft. Kamma-minjdjo , ponna niya karisata, zoo gaat het, indien wij wat ruigs ( wat stekeligs ) hebben, d. i. indien wij wat op ons geweten hebben. Boelo-ka- risa , soort van bamboe.

SS ^ O (karisi), bep. karisika, = kan. Vergel. het Javaansche om , lijn, streep , linie, en het Maleische schrabben , lijnen trekken.

Karisiki bêrasaka , met een stokje over de met rijst gevulde maat heenschrapen of strijken, opdat dezelve niet al te vol worde. Pangarisi , de naam van dit stokje.

SS (karoAessoe), bep. karoessoAewa, rimpel.

AkaroAessoe , gefronst, norsch van gelaat. Aka-

48

roessoc-abünna , gerimpeld, gefronst van voor¬ hoofd.

SS V O (karoessoehg) , = karóessoe.

SS -\ O ~\ (karosó). Karössahg, het uitschrapsel van de kokosnoot, waar men de melk met de hand heeft uitgeperst. Soms slechte vrouws¬ personen met een karössahg vergeleken. (Tar.)

m A A

SS ^ O (kirasa), bep. kirasaka, soort van boom, die op het oog veel van een manggistan heeft.

m A # A

SS <5^ O (koerisi) , bep. koerisiya , geb. van kris , bddi of piek, wanneer het lemmet zoo be-

A

werkt is, alsof er doornen op liggen. Koerisi- banjdji. Yergel. bdnjdji.

SS -\ ^ O (korasa), bep. kórasaka, boek-, bijv. karattasa si-korasa, één boek papier.

SS ”\ ^ '*\ O (korósi), bep. korosiya , ’t Ara-

o f-

bische (Tar.)

// ^ \ (karaëng) , wors/, vorstin, al naar

gelang van het bijgevoegde of verzwegen boerdnne of baïnne. Karaëngkoe boerannêya, mijn vor- stelijke vader. Karaëngkoe bainneya, mijne vor¬ stelijke moeder. NB. beide deze uitdrukkingen ook dan te bezigen, wanneer vader of moeder juist geen karaëng , maar toch van goede geboorte is. Ver- gel. dëng.

Bakoe-karaëhg. Men zie bdko'e. Gangahg- karaëng. Men zie gangang. Allo-karaëng, lett. Koningsdag, v. d.: luwe, zachte dag, waarop de zon niet al te sterk schijnt, het Fransche jour de dames. Karaëng magaoe , een regerend vorst. Men zie op gdio'e N°. 2. Karaëhg-lówe. Men zie op lówe.

A

Kakaraëhgahg , koningrijk, regering, koninklijke waardigheid.

Akaraëhg, of: makarüëng, a) vorst of vorstin zijn, den titel van karaëng hebben, of dragen. Yerg. Mak. Spr. § 167, 2°; b) een heer of meester esse hebben, v. d. een geliefde of minnaresse hebben. (S. Tjin.) v. d. onder een vorst staan, onder een vorstelijk be¬ stuur zijn. Yergel. Mak. Spraakk. § 167, 1°.

A

Pakaraëhgahg , a) het karaëng schap , de titel van karaëng of vorst-, b) afhankelijkheid van een vor¬ stelijk beivind.

Y. d. areng-pakaraëhganna, zijn naam als ka-

A A

rdëng of vorst. (Bap.) Ada-pakaraëhgang, adats van wege de afhankelijkheid van een vorstelijk be¬ stuur, de adats ten opzigte van kardemfs of vorsten. (Bap. K. G.)

Nganre. nginoeng-mi sipakaraëhgang Datoewa ri-Koeripahg , het gansche kardëng-schap van Da¬ toewa ri-Koeripang , d. i .-. al het volk van Datoewa ri-Koeripang met hunnen heer , at en dronk.

Nipakakaraë hg, koning gemaakt, tot koning aangesteld worden.

A

Nikaraëhg-ahg, tot vorst, tot heer gemaakt, d. i.

A

als zoodanig beschouwd worden. Toe-nikaraë- hgang, iemand die als vorst of heer beschouwd ivordt, v. d. opperheerscher , gebieder. Verg. ’tMal.

(Djay.) Toe-nikaraëhgammahg,

onze Meer.

Akara-karaëhgi, zich ergens aanstellen alsof men koning ware. Yergel. mijne Makk. Spraakkunst, § 166, 3°.

SS sSz O (karaoesoe), akaraoesóe, naar iets trachten te grijpen; bijv. geb. van een’ dren¬ keling.

Pitikara-karaoesoe , naar alle kanten grijpen , nu her- dan derwaarts.

ss (1° kala). Men zie op ala N°. 1.

49

(2° kala), bep. kalaka, kraai. Kobó-mi ka¬ laka, letterlijk: de kraai is ruit geworden. Gebez. van iemand, die als ’t ware flaauw van den honger is, zoodat hij niet goed meer uit de oogen kan zien, en de zwarte kraai hem zelfs ivit toeschijnt.

(3° takala) , Boeg. , ook in ’t Makass. gebruikt, = tdbdeloeso'e. Yergel. op bdeloesoe.

(4° kalla), bep. kallaya, ’t Arab. êLóï, gebe¬ den , die op vastgestélde tijden te verrigten zijn , als de soeboe, lóhoró, enz., v. d.: abayara kalla, zulk een vasten bidstond , dien men verhinderd is geworden om waar te nemen , later inhalen.

(5° kalla lölo), = lólo N°. 4.

(6° kalla), bep. kallaka, blaauw , (nog niet bloe¬ dende), ten gevolge van knijpen of slaan. Ook ge¬ bez. van boombladen, die wel niet verdord zijn, maar toch reeds in stede van de groene , eene vale , roodachtige kleur gekregen hebben.

✓✓ *©> (1° kalang). Yergel. het Maleische alang-alang , dwars, dicarshalk , en het Javaansche alang, dwars , waarvan palang, dwarsbalk, hin¬ derpaal, en malang, dwarsboomen, beletten, afge¬ leid zijn. Zoo ook het Makassaarsche kalang-. dwars, dwarshout, dwarsbalk ;

bijvoorbeeld: het dwar shout bij de saiigküang van de praauw, waaraan de lólo wordt vastgebon¬ den. Yergel. sangkilang en lólo N°. 4;

bijvoorbeeld : de dwarshouten die de bdngkeïïg- sdlard stutten. Yergel. bdngkeng-sdlard op bdngkeng;

bijvoorbeeld : de dwarshouten voor de panoendoe, of liever voor de bdngoe-bdngoe, waarop de panoen¬ doe rust, vergel. op bdngoe en toendo'e ;

bijvoorbeeld : de dwarshout om de deur te slui¬ ten, of ook: het dwarshout, boven de opening der deur , tot stuiting van de beide deurstijlen;

bijvoorbeeld : het dwarshout onder aan de sdm- boeng-ldyang van een vorstelijk huis, vergel. sdm- boeng-ldyang , en ook : sdgang.

Takalang, dwars geplaatst zijn, bijv.: Apa noe- paré takalang-kalang ? wat loopt gij mij toch in den weg? lett. : wat doet gij toch, om u zoo dwars voor mij te plaatsen? Anjdjo bainnêya tdeli ta¬ kalang-kalang ri-matangkoe, die vrouw is altoos dwars voor mijne oogen geplaatst, d. i.: het beeld dier vrouw ziveeft mij altijd voor de oogen.

(2° kallang), (vergel. het Maleische en het Arab. pJJa), duister, donker, bijv.: djarahg kallang, donker -bruin paard. Djarang kallang rappo-rappo djawa, kastanje-bruin paard. Djarang kallang- soemalloe, idem. Djangang kallang, een haan die de kleur van een djarang kallang heeft. Kal¬ lang- ook eigen naam eener kris. (G. G.)

Kallangang, duisternis. Kallangang rapa. Men zie: rap a N°. 1. Bi-kallangang si-patanna, = hoelang panrdpi, of panjólong. (Kei.) Vergel. hoelang, rdpi en sólofig N°. 2.

(3° kallang), ’t Maleische , pen. Ook over- dragtelijk gebez. voor den penis, even als men ook het semen virile met inkt (ddwd N°. 1) vergeleken vindt. (Maoet.)

Kallang bodówa, eene kris, behoorende tot de rijkssieraden van Göwa.

✓✓ (1° kali), bep. kaliya, = ’t Mal.

keer, maal.

Sikali, a) één keer, één maal. Roewang-kali, twee keer en, twee malen.

b) Sikali, in één keer, v. d.: te gelijk, te zamen , bijv.: sikali amoeko-pi , morgeit tegelijk. NB. ge¬ bezigd door iemand die gevraagd wordt of hij ze¬ kere zaak nog van daag wil behandelen, en die

/

50

daarop antwoordt, dat hij dezelve maar morgen met nog andere kwestie’s zal afdoen.

c) sikali, ten eenenmale ; volstrekt, bijzonder, buitengemeen ; bijv.: sikali akiyo-djiya, (= dji _]_ iya ,) hij roept volstrekt of vooral maar, d. i. roept sterk, onophoudelijk maar.

d) tasi-kali-kali, keer voor keer, v. d. : zeldzaam, en ook: langzaam; bijv.: tas,-kali-kali-idji, zeld¬ zaam is het er nog. Aselé tasi-kali-kali-idji, hij draagt nog slechts nu en dan een kris; zooveel als : hij is nog jong , nog niet volwassen. NB. voorname inlanders, die den mannelijken leeftijd bereikt hebben, gaan nooit zonder kris uit. Adakka ta- sikali-kali, lett. keer voor keer , ( voetje voor voetje ), d. i. langzaam zijne voeten voorwaarts zetten.

Sikali-kalinna, op eens ; bijv. koetayangi toAe- wang ri-bangiya, na sikali-kalinna battoe-mamo n- karoewenga , ik wachtte mijnheer des avonds , en daar kwam hij maar op eens des namiddags.

(2° kali), bep. kaliya, ’t Arab. de

regter , v. d. opperpriester. Dergelijke vindt men slechts één in het gansche rijk van Gowa.

A

Kakaliyang, Kali-schap, waardigheid van Op¬ perpriester.

(3° kali), Saley., = kénang.

/

(4° kalli), bep. kallika, haag, omheining, ’tMal. ju NB. zulk een kalli bestaat gewoonlijk in

V

/

paaltjes van heele bamboe, dnrong-kdlli genoemd, waardoor men op 3 , of 5 , of 7 plaatsen een lange gespleten bamboe , djdroeng genaamd, heensteekt. Verder wordt de ruimte dier paaltjes, of dnrong- kdlli’s , aangevuld door oploopende gespleten bam¬ boezen, pangdnang genoemd. Lambara kalli. Men zie lambard. Kalli tallassa. Men zie tdl- lassd.

Kalliki, omheinen; bijv. kalliki boAehgoehga,

den put omheinen. (Inl. wetten.) Boelahg na-

kalli-bintoëng, eene maan omheind, (d. i. omgeven, )

van sterren. (Djay.)

/

Pakalli, behangsel, gordijnen.

(5° kalli-kalli , bep. kalli-kalliya , soort van heester met dorens, wier bladen aan de deuren en vensters gehangen worden, tot wering van booze geesten, wanneer bij voorbeeld ergens eene kraam¬ vrouw is , of in geval van aanstekelijke ziekte, enz. Dïlivaria ebracteata. Juss. Boeg. dlli-dlli.

(6° kalliki) , = pdda N°. 1 , roepen , noodigen (Dat. Moes.) bijv. : tantoe ta-nasalaki pangalli-

A # , ,

kinna, lett.: gij zult niet mishopen zijne noodiging , d. i. het is zeker , hij zal niet nalaten u te noodigen. (Brief.)

✓✓ (1° kaling), donkerbruin.

(2° kalliiïg) , ’tMal. blik. Bassi-

kalliiig, blik. (Dat. Moes.)

✓✓ ^5 (1° kalöe) , akaloe , zich oprollen, zich er¬ gens omwinden, omslingeren. (B. idem.) Bijvoorb. : pariya palebg makaloe ri-tjotjoranna, pariya dan slingert zich om de leuning van haren trap. (Sinr.) Kalêleng daëng makaloe, lett. een kaléleng, een zich overal om heen slingerende mijnheer. Oelara akaloe-kaloe , een slang die zich sterk of gedurig oprolt. (Djay.) Vergel. mijne Makass. Spraakk. § 166, 2°.

Sikaloe, zich in malkander winden; bijv. Naga sik al de, een zich in malkander windende , een zich oprollende , zich kronkelende draak. (Djay.)

Pakaloe, ergens omwinden; bijv., pakaloe tali- bannanna, zijn krisband omwinden. (Bap. K. G.) Pakaloe sélena, zijn kris aangorden , lett.: zijn kris, of eigenlijk: zijn krisband omwinden. Siratahg-

51

doedoewi nipakalóe ri-aya, het is zeer geschikt om om de lendenen gewonden te worden. (Sinr. Kei.) Pakalóe kanaya, de woorden omwinden , v. d. : om¬ wenden , schikken, te weten: totdat zij op hunne plaats zijn, v. d.: badjiki batêna pakalóe-kana > lett. : goed is zijne manier om woorden te draaijen , d. i. : hij heeft een goeden stijl. Ta-koewassengai koepakaloe , (ik weet het wel , doch) ik weet het niet behoorlijk uit te drukken.

Kakaloe, ring van bindrotting , waarmede het roer aan de tinrd wordt vastgehecht.

(2° kalloe, schrapen , uitschrapen ; v. d. kalloe- djina, het uitschrapsel van de têlang der levende muskuskat. (B. idem.) NB. wordt met de timpd- oeso'e, panggilihg, enz., gebezigd om de minja, bddó te berooken. Yergel. bddó N°. 2.

KaloAekoe-kalloAekang. Men zie: kaldekoe.

** (kaloeng). Kaloeng-kaloehg, iets dat

ergens aan vast gemaakt wordt om geluid te geven,

< / > < . /- 1 = ginng-ginng .

** \ (1° kale), bep. kalêya, vnw. kalêhg-

koe, kalênta, kalênna, ligchaam , lijf. Boeg. die, idem. Toe-ri-kale, lijfvolk. Ata-ri-kale, lijf- slaaf. Baïnne-kale, lett. lijfvrouw, v. d.: ’s ko- nings voornaamste vrouw. Kale-balla , lett. : het ligchaam van een huis, v. d. : het binnenste van een huis, dat gedeelte waarin men komt wanneer men de palddang dóór is. (I)jay. Dat. Moes.) Yergel. valddang. NB. De djdmbang en sónrong behooren niet tot de kdle-bdlld. Kalênna boettaya, het binnenste van het land. (Madi.) Kale-bisêyang het binnenste van een vaartuig, dat gedeelte van het vaartuig, hetwelk bijvoorbeeld bij een’ padoewa- kaiig of handelspraauw , onder de bdekkoe is. Ver- gel. bdekkoe N°. 3. Bambang-kale. Men zie

bdmbang. Kalênna , lett. : zijn eigen ligchaam , v. d.: hij zelf. SoAera kalênna Iyanoe, brief van N. N. zelven, v. d. : particuliere brief. Akale- boeranne-mi, of: akale-lolo-mi,lett.: hij heeft reeds het ligchaam van een man, of: van een’ jongeling , d. i .hij is reeds man, of: huwbaar. Akale-bainne-mi, of: akale-lolo-mi, zij heeft reeds het ligchaam eener vrouw, of: eener maagd, d. i.: zij is reeds huwbaar.

Têpoe-kale-ma, ik gevoel mij geheel lekker, lett. : ik ben met, d. i .heb, een volkom, en , of: volmaakt, ligchaam. Êrang-kale; niyêrang-kalêi. Men zie op érang. Panaï kalênna. Men zie op: nd'i N°. 1. Bi-kale, onderhen zelve, onder de hand; bijv.: sitaba ri-kale, onder de hand over¬ éénkomen. (Bap. T. Dj.) Siparé ri-kale, onder de hand met elkander, (of: tezamen ,) doen. (Kap. T. Dj.)

Kale-kalênna , hij op zich zelven, v. d.: alleen, afzonderlijk. (Kap.) Ki-kale-kalênna, op zich zei-

A

ven, alléén. (Djay.), bijvoorb. : atinro kale-kalenna, alleen, afzonderlijk slapen. (Kap. K. G.) Eró- kale-kale, uit zich zelven willende, d. i. : vrijwillig.

Agade kale-kale , uit zich zelven , geheel op eigen gezag , geheel willekeurig , handelen. Gaoe kale- kale; willekeurige handeling, willekeur. Mangai kale-kale, geheel uit zich zelven genegenheid voor een meisje opvatten, d. i. zonder iemand omtrent het voorwerp zijner liefde te raadplegen. (Sinr.) Amboyai kalamboesang kale-kalênna. Men zie op bóya. Soera kale-kalênna Iyanoe, brief van NN. afzonderlijk, v. d. particuliere brief van NN., = soera kalênna Iyanoe. Anoe ri-kale-kalenna, goederen , die beide echtgenooten , ieder afzonderlijk , bij het huwelijk meebrengen , = sisila. \ orgel. silo. (Inl. wetb.) Na-napasiyagSng parisi ri-kale-ka-

7 *

lênna, hij heeft er mee vereenigd afzonderlijken wrok, d. i. hij heeft insgelijks gehandeld uit partikulieren wrok.

Sawi kale-kale. Vergel. op toeuggald.

iya-mami nikalêyang, lett. : dat slechts, (bijv.: het ongeluk,) wordt als ’t ivare tot zijn ligchaam ge¬ maakt, als 1 ware geheel één met hem. (Sinr. Kei.)

Amparikalênna , op zich zelven stellen, d. i. : op zich nemen, zich toeeigenen, bijv.: naparikalênna minjdjo toe-malompöwa , de Gouverneur heeft dat op zich genomen. Inakke amparikalêngkoe in- ranna Iyanoe, ik voor mij neem op mij , d. i. sta in voor de schuld van N. N.

Pakalêyang, gestalte. Pakalêyang tipa, vlugge (vivé) gestalte. Badji-pakalêyang , schoon , d. i. evenredig, welgebouwd , van gestalte.

(2° kalle), bep. kalleka, rond, met een glooijing loopende , bijv. akalléki bahgkênna mêdjanga, de voot van de tafel is rond (loopt met een bogt).

SS -*\ (kalo), = ’t Mal. kalokh, volgens 'P. P. Eoorda v. Eysinga in zijn Woordenboek bij de beknopte Maleische Spraakk. en Chrestom., kramwerk , bloemwerk. Van daar: timoengang ni- kalo-kalo, een poort, voorzien van sieraden, die naar krans- of bloemvjerk geleken (G. G.).

SS ”\ (kallong), hals. B. dllong , idem. Batang kallong, hals. Verg. batang N°. 1. Kal¬ long badjoe, kraag van een baadje. , lett.: de hals van een baadje. Kallong- têdong, lett.: buffelhals, v. d. bitffelhuur , betaald voor bet huren van een span karbaauwen, bij gelegenheid van den ploeg¬ tijd, bestaande naar gelang van de meerdere of mindere opbrengst, in een zeker getal bossen pad- die, soms wel 100 bos, (op Segerie 50 basse’s. Verg. bdsse N°. 2.) Voorts verstaat men ook in

Segerie en andere streken onder kdlloiuj -t edong .- zekere belasting, door den regent in te vorderen van ieder, die rijst-velden heeft, zijnde één van de 10 bdsse’ s. Deze naam ook wel eens toegepast, ofschoon de landbouwer zijne velden zonder buf¬ fels, enkel met een patjol, of spade , bearbeidt.

Kgallong-, in de keel blijven steken , bijv. eene vischgraat ( 'boekoe-djoeko'e ), bijv.: nakallongi boAe- koe dj oekoe , hij heeft eeri vischgraat in zijne keel. Nakallohg-mi lilana, lett. de tong blijft hem in de keel steken, verspert als ’t ware de passage in zijn keel, zoodat er geen woorden meer door kun¬ nen. Gebezigd van iemand, die er zich met zijn spreken zoo ingewerkt heeft, dat hij niet meer weet, wat te zeggen. Vergel. lila.

Nakallonga dj ené, ik verslik mij, lett. er blijft mij water in de keel steken .

✓✓ (kila), bep. kilaka, = ’t Mal. bliksem. Boeg. bilé.

SS (kili). Kili-kili, bep. kili-kiliya, een gouden, of: hoornen ringetje of schijfje tusschen het gevest ( pangoéloe ) en het lemmet der kris. Boeg. idem.

m A A A

✓✓ -\ (kilo), akilo-kilo, flikkeren, glinste¬

ren , bijv.: een’ vuurvlieg. B. idem, verg. ’t Mal.

✓✓ (koelang). Tana koelang, braakland.

Men zie kómbung.

SS (koAeli), bep. koAelika, = t’Mal.oJyT,

het buitenste, ’t hulsel, omkleedsel, vel, huid, leder, bast, schil, schaal, enz. Boeg. oeli, idem. Bijv. koelina taoewa , iemand’ s vel of huid. (Djay.) Koeli-toede, mosselschep. Kocli-moei ïyara, paar¬ lemoer. KoAeli-mate, verharding van het vel, ten gevolge van verwonding bijv. Misschien zou men

53

het ook voor likdoren kunnen bezigen. De Inlan¬ der, die nooit laarzen draagt, schijnt van deze plaag bevrijd te blijven, en er dus ook geen woord voor te hebben.

// (koeling), makoeling, wederkeeren , we¬ derom. (Sinr.)

Makoe-mako'feling , dikwijls weder keeren, v. d. . bij herhaling , gedurig , bijv.: makoe-makoeling-mo noepabênrong binabakoc,' lij herhaling , gedurig , schokt gij mijn gemoed. (Sinr. Tar.) Yergel. bindba.

Pakoeling, iets doen icederkeeren , v.d.: iets her¬ halen, hij herhaling doen.

(1° koeloe). KoAeloe-koeloe , bep. koeloe-koeloewa , dat gedeelte van het hoofdstel des paard’s , dat ter weerszijde van den kop komt en den stang vasthoudt. Bij den Inlander ge¬ woonlijk van touw. KoAeloe-koeloeadjaping-dja- ping. Yergel. dj aping. Koeloe-koeloe arappo- rappo. Yergel. rdppo N°. 2.

(2° koAelloe), bep. koelloewa, vonk.

Koelloe-koelloe, iets dat op een vonk lijkent, v. d.: vuurvlieg. Padjannang akoelloe-koAelloe , eene lamp , die jlikkert als eene vuurvlieg, d. i.: die op het punt staat om uit te gaan. Bambang al- lowa makoAelloe-koelloe, of: koAelloe-koelloewi al- löwa, de son glinstert.

// (koeloeng). Koeloe ngaifg, soort van beestenstal boven op een handwa, en ook des noods op andere vaartuigen. "

\ (koblle), kunnen , vermogen, bestand zijn tegen, in staat zijn tot, bijv.: ta-koekpellêyaï koc-apelc, ik kan het niet van buiten leeren. NB. Men merkc op deze herhaling van koe. Zoo zegt men ook: ta-koewassëhgai koe, enz. Men zie op dsseng N°. 2. Masarro-töngi garring-garringa ,

A A

naïya maliba-dji makoelle, de ziekten zijn ook erg, maar genezen toch spoedig ; eigenlijk : de patiënten zijn spoedig weder krachtig, d. i.: gezond. (Rap. T. Dj.) Taoe angkoelle kalênna, = : tdoe niya- niya, iemand, die zelf iets vermag, d. i.: die er warmpjes inzit, een vermogend mensch. Nabadji- dji koetjini nakoelle-tonjdji kalênna, lett. : ik zie immers, dat hij zelf ook nog al goed wat vermag , d. i. er goed (of: warmpjes ) inzit. Ta-nakoellêya-mo bömbanga kappalaka, het schip is niet meer bestand tegen de golven. (Djay. Rap.) Gaoe ta-nakoellêya

A , A 0

boekoenta siyagang pamaïta, de zaken, waartoe ons gebeente en onze geest niet in staat zijn, d. i. : waar¬ toe wij noch naar ligchaam noch naar geest in staat zijn. (Rap. K. G.)

Pakoelle, of: koellêyang, mogelijkheid, bijv.: ponna niya pakoellêna, of: koelleyanna, zoo er mo¬ gelijkheid op is.

Koelle-koelle , magtig, sterk, gezond, bijvoorb.: koAelle-koelle kalênna, magtig op zich zelven, niet afhankelijk van eens anders gunst. Akoelle-koelle- dji, hij is immers sterk, v. d. gezond; v. d. is hij gezond? Ta-makoAelle-koellêyai , hij is ongezond, ongesteld. iYkoelle-koelle-mi, hij is weder gezond.

Sak oeller koelie, zooveel mogelijk; bijv. sakoelle- koelle koegaockang, ik doe het zooveel mogelijk.

Pikoelle-koellêi, iets zooveel mogelijk doen; bij¬ voorb. pikoelle-koellêi mange-ko, ga gij, en ga niet één enkele keer, maar doe dit zooveel mogelijk, d. i. ga gij zooveel mogelijk.

\ ✓✓ +z (kêlla). Kellai, verlangen, verlan¬ gen naar iemand of iets. (NB. met een’ Accusativus en ook met ri.) Bijv.: angkellaiyai, de man die ergens naar verlangt. Na-saba pasayata akellaïya ri-badjikaT wegens uwe ontferming , die mijn welzijn

54

(lelt. : het goede ,) verlangt. (Brief). INTa-ta-koe- kellaiya nakaloepfü itoewahg , ik verlang , dat mijn¬ heer het niet vergeet. (Brief.) Nakellaiya seng

A *

tofewang Iyanoe mange abali apattassa, enz., N- N. verlangt wederom , dat ik ga helpen in ordeschik- ken. Bilalaka akellai ngasengi, de ver¬

langt naar hen allen , d. i.: noodigt hen allen. (Godsd.)

Pangellai, een verlangen , v. d. hevel.

Pakêlla-kêlla , sterk verlangende , v. d. baat¬ zuchtig , schraapzuchtig . Lompo-kêlla-kêlla, groot, sterk van verlangen, d. i. schraapzuchtig .

\ ^ (1° kêloe) , door middel van een

hout , dat men tusschen het touw , waarmede twee planken of andere zaken zamen gebonden zijn, in¬ steekt, die voorwerpen ter deege vastdraaijen of vastschroeven.

(2° kêloe), bep. keloAewa. Aldus genoemd de houten, die in de huizen van voorname Inlanders van onderen langs de binnenzijde van het dak naar boven loopen en in de simoengang uitkomen, tot stutting van de panjdmboeng . BaroAega nikêloe, een baroega, die van een kêloe voorzien is; tenzij men liever denke aan kêloe N°. 1. Dan is het: een baroega , die zeer stevig is, waarvan men de bam¬ boezen goed vastgedraaid heeft. (G. G.)

(3° kêlloe), bep. kêlloeka, een jonge nangka- vrucht, die zich nog niet lang geleden gezet heeft. (Kei.)

\ // \ (kêle. Takêle-kêle, = tdldlo-ldlo, = ’t Mal. , zeer, buitengemeen. (Sinr.)

\ ✓✓ -\ (kêlo), bep. kelowa, streek , trek ,

list, foppen, bijv.: Ta-nakelowa-ma laisi masaga- lana, mij fopt ( misleidt ) niet hare zeldzame slank¬ heid. (Sinr.) t

\ ** (1° kêlo hg-) , ’t Mal. panton, soort

van gezang-. Vergel. mijn Mak. Leesb. in de Aan- teek. op de kêlong’s. B. êlong.

Akêlong , zingen.

Pak êlong, zanger.

Nikelöhgahg, tot kêlong gemaakt worden, ge¬ bezigd icorden om te zingen; voor zang gebezigd worden.

(2° kêlong') , soort van boom , welks hout ge¬ bezigd wordt tot het maken van allerlei gereed¬ schap.

(1° kola), bep. kolaka, een oud Makassaarsch woord , = tókeng , een halssieraad , eene soort van snoer, v. d. : ratoe-sikola, even als de schakels van een tókeng geheel uit malkander val¬ len, v. d. gebez. van iemand, die zoowel zelf , als zijne nakomelingen , geheel te gronde gaat. Vergel. rdtoe N°. 2.) Met deze woorden drukt men onder anderen zijn schroom uit, om bij het vermelden van de namen der vorsten een’ fout te begaan, bijv.: ratoe-si-kolaka! moge ik met mijne nakome¬ lingen geheel te gronde gaan ! te weten : zoo ik niet mijn best doe om de namen der vorsten zoo naauw- keurig mogelijk op te geven. (Vergel. G. G. in het begin.)

(2° palloe-köla) , bep. palloe-kölaka, een ge- regt, bestaande in Idme-kandórd , met klappermelk en zout gekookt, ook wel kola alleen genoemd. Ins¬ gelijks bekend onder den*naam van pdlloe-Bd’e- toeng.

(1° kólahg'), het Mal. PP vijver.

(Bid.)

(2° kölang), beneveld zijn; bijv.: kolangi al- lowa, of boAelaiïga, de zon (of : de maan ) is beneveld.

** <*5' (1° koloe), bep. koloewa, Holl. kool.

*■ r

oo

(2° köloe-köloe) , Sal. = bdyó-Pampoena. Ver- gel. boy 6.

SS^^"\ (kolo). Kólo-kólo, bep. kolo- kolowa , de oploopende bamboezen aan iedere zijde van venster of deur één, terwijl de bamboe¬ zen boven en beneden aan venster of deur, batd- rany heeten. (Boeg. idem.) Deze kdlo-kdló’s ge¬ noemd: kdlo-kdlo aménteny , staande cólo-cólds, ter onderscheiding van de kólo-kólo-tdpdmpang , dwars liggende kdlo-kólds, zijnde de heele bamboezen die soms dwars door de pangdnang eener deur heen loopen. NB. gewoonlijk heeft men in plaats van de kdlo-kdlo tdpdmpang eener deur, slechts gespleten bamboezen , en deze heeten dan: riya-riya. Yergel. beneden op: riya N°. 1.

// sS (kalakka) , bep. kalakkaka , soort van mat, gemaakt van paldpa-inróe , en onder eene vrouw van voorname afkomst gelegd, wanneer zij bevallen moet. Boeg. idem.

A

// // (kalakki) , door meerderen tegen

minderen gebezigd, wanneer zij dezen vriendelijk willen toespreken, zoo veel als: mannen; menschen; bijv. tegen bedienden of onderhoorigen. Boeg. idem. Ook wel gebezigd tegen jongere broeders.

SS *-'Z' SS (kalingkang) , zilver- of goudmoor , soort van zijden stof met zilveren of gouden strepen.

Djamboe-kalingkang, soort van dj amboe- vrucht, rood met witte strepen.

✓✓ +* (kaliki), bep. kalikiya, Boeg. en

Bonth., = tang ang -tang ang nikdnre , papaya, Carica Papaya L.

m m A t ^ t iS _u, ^

S* SS (kaliking). Kalikingang, Saley. binst , haten.

ss ✓✓ (kalo'fekoe) , bep. kaloekoewa, vnw.

kaloekoe ngkoc, kaloekoenta, kaloekoenna, klap¬ perboom, kokosnooot. Cocos nucifera L., B. idem. Ja v. cmn/jcrr^s. Kaloekoe akalóngkong, eene klappernoot die nog knapt. NB. dan slechts ge- bruikt als roedjak. Kaloekoe kalldbkang, ook wel genoemd: kanrêyang karaëng, een jonge noot , die men nog van binnen uitschrapen kan ; welk schrapsel zeer smakelijk is, om zoo te eten. Soms wordt dit kaldekoe-kalldekang ook o verdragtelijk gebezigd van een jong meisje (Kei.) Kalockoe- ahgassi , vleezige noot. Gebezigd van een kokosnoot wanneer zij van binnen meer vastigheid heeft, als ’t ware vleezig is. Men zie: dissi N°. 5. Kaloe¬ koe towa, oude klapper-noot. Balawo-kalobkoc , klapperrat , d. i. : eekhoren.

KaloekoAewi, met klapper , d. i. met olij, die van de kokosnoot gemaakt wordt, besmeren. (Kei.)

SS\+&\SS (kalêké). Kalekêki, een kind met zijn armen omvatten , en zoo koesteren.

Yan daar: sikalekêki, overdragtelijk: veel van elkander houden , zeer aan elkander gehecht zijn.

SS x \ SS (1° kalêngkeng), ineen krim¬ pen, buigen, (Madi), dikwijls gebruikt van het kromstaan der vingers , bijv. tengevolge van ziekte, of ook van sterke inspanning of koude; zoo ins¬ gelijks gebez. van kinderen, die met de armen en beenen opgetrokken , en in malkander gedoken liggen te slapen. Kalêngkeng-djangangang, kramp, letterlijk: inéénkrimping als een kip.

Kalengkêngi, in malkander gekrompen of ge¬ trokken, ergens op liggen.

(2° Kalêngkeng), = Idppald, vergelijk bene¬ den; bijv.: kana ta-nakadó kalêngkeng-, woord dat zelfs niet in Arabische letters vervat of daarmee te schrijven is. (G. G.)

✓✓ '5 -\ ✓✓ (1° kalöngkong) jonge vruch¬

ten van den klapperboom. (Tar. Lalak.) Overdrag- telijk gebez. van eene zeer jonge vrouw.

Kaloekoe-akalöhg-kohg. Men zie op kaldekoe.

(2° Kalöngkong), = kaléngkeng N°. 1.

✓✓ SS SS ( 'kaloekdekang ) soort van onge¬ steldheid waarbij men inwendig koud of warm is, zonder dat dit uitwendig merkbaar is.

m A

SS ✓✓ S\ (kalakatti), bep. kalakattiya, pinang schaar . Ofschoon men nu bij iedere pinang- schaar van hare bongga’s of dijen spreekt, onder¬ scheidt men toch van de gewone kalakatti: een kalakatti nibóngga, en verstaat hieronder een kala- Icdtti , wier bdngga’s of dijen mei goud beslagen , al- zoo: bdngga’s bij uitnemendheid, zijn.

m _ _ , A

// ^ // (kalangkari), bep. kalangkariya, = ’t Mal. Indisch gebloemd katoen.

SS \ ^ \ ✓✓ \ ^ (kalehgkeré), bep. ka- lêhgkereka, soort van aal.

SS SS O (kalakasa),